08. De bouwplaatsinrichting

08. De bouwplaatsinrichting

1. Inleiding

Veilig werken begint bij een goede bouwplaatsinrichting. Om onveilige situaties te voorkomen is het belangrijk je af te vragen met wat voor bouwterrein je te maken hebt. De bodem kan bijvoorbeeld onder water staan, of verontreinigd en onvoldoende begaanbaar/draagkrachtig zijn. Ook moet je oppassen voor kabels, leidingen en rioleringen die in de grond liggen!

Waar moet de mortelsilo komen te staan op de bouwplaats?

Dit hoofdstuk behandelt de omstandigheden waarmee je bij de bouwplaats-inrichting rekening moet houden. We bespreken onder meer de begaanbaarheid van het terrein en het transport/de opslag van goederen op de bouwplaats. Ook geven we enige aandacht aan je werkhouding; op de juiste manier tillen en sjorren voorkomt dat je rugklachten of andere klachten krijgt.

Ten slotte gaan we in op de weersomstandigheden. Daar kun je weliswaar geen invloed op uitoefenen, maar toch is het goed om op de hoogte te zijn van de weersomstandigheden waarbij je veiligheid in gevaar komt en hoe je dan het beste kunt handelen.

2. Bodemgesteldheid

Er is een duidelijk verband tussen slechte begaanbaarheid van het bouwterrein en het aantal ongelukken; het weer en de grondsoort hebben daarbij veel invloed op de begaanbaarheid. Regen, vorst en klei de grootste problemen op! Door slechte begaanbaarheid van het terrein neemt de kans op ongelukken duidelijk toe. Het werken op een goed begaanbaar bouwterrein geeft minder risico’s dan een terrein vol kuilen en gaten.

Door een slecht begaanbaar bouwterrein ontstaan er veel klachten aan bijvoorbeeld voeten, enkels, benen, heupen en onderrug. Om blessures te voorkomen en het bouwterrein beter begaanbaar te maken moet je zorgen voor goede drainage, het leggen van rijplaten en het uitvlakken van het terrein, bijvoorbeeld met schoon zand.

2.1 Kabels, leidingen en rioleringen

Als je stalen rijplaten gebruikt, pas dan op dat je de kabels en leidingen niet beschadigt. Graaf de kabels in, leid ze om via de rand van het bouwterrein of voer ze in een mantelbuis onder de bouwweg door, dan heb je er helemaal geen last meer van. Als de kabels niet omgeleid kunnen worden, markeer dan duidelijk de plaats waar ze liggen, bijvoorbeeld op een tekening of met behulp van een bord. Zo wordt de kans op kabelbreuken verkleind.

Wist je dat… een ander gevaar bij graafwerkzaamheden en/of bouwrijp maken is dat er in de grond een niet ontplofte bom uit de Tweede Wereldoorlog kan liggen?
Wist je dat

Het is belangrijk dat men bij graafwerkzaamheden zorgvuldig te werk gaat; dit is van belang vanwege de risico’s m.b.t. veiligheid, milieu, economische schade en vanwege de leveringszekerheid van de nutsbedrijven. Bij graven horen een aantal gevaren. Dit zijn:

  • elektrocutie door het beschadigen van onder spanning staande kabels
  • brand en explosie door het beschadigen van gas- en olieleidingen
  • bedolven worden door inkalving van de sleuf
  • wateroverlast door instromend water
  • bodemvervuiling door het beschadigen van leidingen met gevaarlijke stoffen
  • verstikking door het beschadigen van gasleidingen
  • vervuilde grond door gevaarlijke producten en/of biologische stoffen

Bij zorgvuldig graven horen een aantal regels. Deze zijn:

  • alleen graven wanneer liggingsgegevens bekend zijn
  • alleen graven op aanwijzing van een leidinggevende of aannemer
  • proefsleuven graven
  • aanwijzingen van de netbeheerder opvolge
  • alleen graven nadat de ligging van kabels en leidingen is vastgesteld door proefsleuven binnen 1,5 meter van de opgeheven ligging
  • een eventuele afwijkende ligging of schade moet gemeld worden bij de leidinggevende
  • een graafmachine moet een niet-getande graafbak gebruiken

2.2 Verontreinigde grond

Op plaatsen waar vroeger een fabriek heeft gestaan, of waar afval opgeslagen heeft gelegen, kan de grond vervuild zijn; de mate van vervuiling wordt opgemeten voordat begonnen wordt met het bouwrijp maken van het bouwterrein. Als de verontreiniging ernstig is moet de verontreinigde grond worden afgegraven. Dit verwijderen van vervuilde grond moet door speciale bedrijven gebeuren; die verwijderaars dragen speciale beschermende kleding. Tijdens de werkzaamheden worden er de hele tijd metingen verricht. De vervuilde grond wordt ter plaatse gereinigd of afgevoerd; indien nodig wordt schone grond aangevoerd. Vervolgens kan er gebouwd gaan worden!

2.3 Drainage en bronbemaling

Drainage is bijvoorbeeld nodig als er een hoge grondwaterstand is; hierdoor kan drijfzand ontstaan. Hierin kun je tijdens je werk zelf wegzakken, maar ook spelende kinderen kunnen erin verdrinken. Het bouwterrein moet daarom goed worden afgesloten en er moet een geel waarschuwingsbord ‘drijfzand’ worden opgehangen. Bij het maken van een bouwput of het graven van sleuven moet het grondwaterpeil worden verlaagd; hiervoor wordt gebruik gemaakt van een bron- of retourbemaler die dag en nacht werkt. De bronbemaler is vaak op een aparte stroomgroep of een aggregaat aangesloten. Vooral bij zandgrond is instortingsgevaar van het talud aanwezig; zorg voor een veilig talud of gebruik een grondkering, zoals sleufbekisting of damwand. Controleer voor het begin van de werkzaamheden de werking van het systeem. Zorg ervoor dat op de pomp een telefoonnummer staat van iemand die de sleutels heeft van de bouw. Bij noodgevallen buiten werktijd is die persoon dan toch bereikbaar.      

Sleufbekisting

3. Bouwterein

Het bouwterrein is het totale terrein wat gebruikt kan worden tijdens de bouw; de plaats van de keten, containers en de bouwwegen horen er dus ook bij! Ook hierbij geldt: een goed begin is het halve werk. De werkvoorbereider maakt samen met de uitvoerder een bouwplaatsinrichtingstekening; hierbij moet rekening worden gehouden met de aanvoer en tijdelijke opslag van materialen en de locatie van de kranen.

3.1 Afmetingen van het terein

Een overzichtelijke en ruime bouwplaats verkleint de kans op onveilige situaties. Zet de bouwhekken zo ruim mogelijk om het bouwterrein heen. Let er wel op dat omwonenden nog voldoende ruimte houden om veilig het terrein te kunnen passeren! Een voordeel van een groot bouwterrein is dat er voldoende ruimte is voor opslag van materialen en voor afvalcontainers. Ook kunnen vrachtauto’s gemakkelijker materiaal en materieel afladen. Vrachtauto’s hebben een wegbreedte van ongeveer 3,5 meter nodig; geef duidelijke rijroutes aan. Probeer in- en uitgaand verkeer gescheiden te houden door middel van bijvoorbeeld een in- en uitgaande poort. Voorkom achteruitrijden, zeker vanaf het werk- en bouwterrein!

Het is wenselijk dat er naast de bouwweg een looproute van ongeveer 3,5 meter overblijft; daar kan ook tijdelijk materiaal worden neergezet. De ruimte van het bouwterrein is in de binnenstad echter vaak beperkt. Dan is het de kunst om het bouwterrein zo praktisch mogelijk in te richten en materiaal bijvoorbeeld op te stapelen. Voor het langskomende verkeer moet je het bouwterrein duidelijk afzetten. Overleg met opdrachtgever, gemeente en/of politie is hierbij noodzakelijk!

3.2 Toegang

Een bouw- of werkterrein is een afgebakend gebied waar gedragsregels gelden. Dit wordt al bij de ingang aangegeven door middel van bebording of pictogrammen. Alleen het aanbrengen van deze borden is natuurlijk niet voldoende; er moet ook toezicht worden gehouden op de vermelde gedragsregels. De bouwhekken moeten het gehele bouw- of werkterrein afsluiten; ze moeten aan elkaar worden gekoppeld en tegen omvallen worden geborgd. Tijdens werktijd is het goed om de hekken zoveel mogelijk gesloten te houden. Na demontage in verband met bijvoorbeeld de aanvoer van materieel is het verplicht het hekwerk weer in de oorspronkelijke staat terug te brengen. Na werktijd moet je ervoor zorgen dat het gehele terrein goed is afgesloten en dit controleren; kinderen spelen graag op de bouw, met alle gevaren van dien! Grote bouwwerken worden daarom soms dag en nacht bewaakt.

Wist je dat… op bouwwerken waar veel weerstand tegen is vanuit de buurt, je extra op moet passen voor sabotage?
Wist je dat

3.3 Verkeer en wegen

Vrachtauto’s hebben vaak een grote draaicirkel, denk alleen al aan wat je nodig hebt bij aanvoer van heipalen en kanaal/breedplaatvloeren. Het is daarom het meest praktisch als de chauffeur niet hoeft te keren op het bouwterrein. Er is dus een doorgaande route nodig. Ook heeft een vrachtauto ruimte nodig; hij kan niet te dicht langs steigers en materiaal rijden. Als een steiger wordt geraakt kunnen grote ongelukken gebeuren!

Om wegzakken te voorkomen kunnen stalen rijplaten, betonvloerplaten of draglineschotten worden gebruikt. Hiermee zorg je ervoor dat de druk gelijkmatig wordt verdeeld. Een ander belangrijk punt bij het bouwterrein is dat de bouwweg niet wordt afgezet. In geval van gevaar moeten de vluchtwegen open blijven. Ook moeten brandweer en ambulance ter plaatse kunnen komen.

Een bijzondere situatie doet zich voor als bij een renovatie omwonenden toegang moeten blijven houden tot het gebouw. De looproute moet zodanig zijn afgezet dat mensen niet op het bouwterrein kunnen komen. Ook mogen ze geen gevaar lopen door vallende voorwerpen van bijvoorbeeld een steiger; dit voorkom je door bijvoorbeeld een schutting met een overkapping of vangschotten te plaatsen of netten aan te brengen.

3.4 Opslag

Meestal kan materiaal wat wordt geleverd niet direct worden verwerkt; het moet tijdelijk op de bouwplaats worden opgeslagen. Om te voorkomen dat de materialen nat worden (of diefstal..) is het belangrijk dat het materiaal veilig wordt opgeslagen. Grote elementen moeten stabiel worden neergezet zodat je niet bekneld raakt als ze omvallen. Zoals in hoofdstuk 3 al aan de orde is geweest moeten chemische stoffen zodanig worden opgeslagen dat ze niet kunnen lekken of op een andere manier schade kunnen veroorzaken. Wegens explosiegevaar mogen ze ook niet in de uitvoerderskeet worden opgeslagen.

Metselstenen en -blokken mogen, in verband met omvalgevaar, niet hoger worden gestapeld dan 2 meter; ook moet de ondergrond vlak zijn. Als kozijnen, glas of elementen niet direct worden geplaatst kunnen die het beste op stabiel te plaatsen jukken worden aangeleverd, dit verkleint het kantelgevaar.

3.5 Orde en netheid

In verband met veilig werken is het belangrijk dat er sprake is van orde en netheid. De invloed van orde en netheid op veilig werken houdt in:

  • voorkomen van incidenten
  • voorkomen van vervuiling/milieuschade
  • hogere efficiëntie
  • aangenamere werkomgeving, positieve invloed op motivatie en werkhouding
  • voorkomen van verlies van gereedschappen en materialen

Voorbeelden van orde en netheid (good housekeeping) zijn:

  • omgeving opruimen
  • restmaterialen afvoeren/opslaan
  • opslagsysteem voor gereedschappen en materialen
  • kabels ophangen (safety-hooks) of wegwerken
  • goede inrichting van de werkplaats/werf

3.6 Keten

Om je te kunnen ontspannen tijdens de schaft is het nodig dat er voldoende keetruimte is. Voor het rookvrij houden van een aantal ruimten is het goed om onderling afspraken te maken (rookbeleid). Ook is het wenselijk dat de toiletten schoon zijn en blijven. Bij grotere projecten is meestal een kleed- en wasruimte aanwezig; bij kleine projecten ligt dat vaak wat moeilijker. Overleg hierover kan worden gevoerd met de uitvoerder. Bij schaft- en toiletketen is de hygiëne belangrijk. Niet alleen als het over handen wassen gaat, maar ook bijvoorbeeld het weggooien van oude melkpakken.

Er mag nooit over keten worden gehesen! Als er iets uit de kraan valt kan dat desastreuze gevolgen hebben!

3.7 Struikelen, vallen en verstappen op de bouw

Het aantal blessures als gevolg van struikelen over zwerfvuil en obstakels is groot; daarom is het belangrijk dat alle loop- en werkgebieden op de bouw voldoende vlak, breed en draagkrachtig zijn. Oorzaken van struikelen, uitglijden of verstappen kunnen zijn:

  • niet-egale of losse ondergrond (bijv. losliggende tegels)
  • klein hoogteverschil
  • grotere hoogteverschillen
  • rennen
  • gladde of geboende vloeren
  • onaangepaste schoenen
Als steigerdelen niet vlak liggen loop je grote kans op struikelen.

Een opgeruimde werkomgeving werkt prettiger en geeft veel minder risico’s. Het helpt meestal niet om je over het afval van anderen op te winden…Geef zelf het goede voorbeeld! De uitvoerder moet hierop toezien. De gevolgen van een niet-opgeruimde bouwplaats kunnen zijn:

  • struikelgevaar en ongemak
  • bodemvervuiling
  • afval kan gaan zwerven
  • ongedierte
  • uitstraling (werkplezier voor jezelf en anderen)

Om de gevaren bij het lopen (in de zin van: te voet verplaatsen) te voorkomen zijn er maatregelen en methoden. Deze zijn:

  • ontwerp: bij het ontwerp en de voorbereiding moet zorg worden besteed aan het voorkomen van onveilige situaties
  • good housekeeping: zorg voor een ordelijke en nette werkplek
  • het zo snel mogelijk oplossen van onveilige situaties
  • geen spullen dragen die het gezichtsveld hinderen
  • de voorziene wegen en paden volgen
  • gepaste schoenen dragen

Om de gevaren bij het te voet verplaatsen te beheersen zijn er maatregelen en methoden. Deze zijn bijvoorbeeld:

  • scheiden van mens en gevaar met behulp van een afscheiding
  • aangepaste verlichting

3.8 Afval en milieu

Zorg dat het werkterrein geen afvalcontainer wordt. Vaak ligt overal afval op en rond de werkplekken; dat is niet de bedoeling! Er zijn meerdere oplossingen voor dit probleem:

  1. zet de containers waar mogelijk dichter bij de werkplek
  2. ruim met z’n allen dagelijks de rommel op
  3. huur op kosten van de vervuiler een schoonmaakbedrijf in
  4. laat de vervuiler z’n eigen afval opslaan en afvoeren

4. Horizontaal en verticaal transport

Bouwen behelst dat er veel materialen verplaatst worden. Het is natuurlijk de kunst om zo weinig mogelijk met de hand te hoeven transporteren. Bij het opperen loopt je veiligheid gevaar als je niet met oppermaterieel, zoals stenen en kruiwagens, bij de werkplek kunt komen. Een mobiele kraan is dan vaak een (dure) oplossing. Op een verkeerde manier tillen en verplaatsen van materiaal kan rugklachten veroorzaken; het is dus bij het verplaatsen en tillen van een last belangrijk om dit op de juiste manier te doen.

6

Op de juiste manier tillen doe je door zoveel mogelijk gebruik te maken van je beenspieren. Til met gebogen knieën en een rechte rug; houd de last of het voorwerp zo dicht mogelijk tegen je lichaam aan. Zorg ervoor dat bij het neerzetten je vingers nergens bekneld (kunnen) raken. Gebruik bij ruw materiaal (zoals stenen en hout) handschoenen. Als je een stenenkruiwagen moet laden is het handig om een stenenklem te gebruiken; dit voorkomt verwondingen en onnodig bukken. Met een zogenoemde optang kan een kraan een pakket van 400 stenen in één keer optillen en op de steiger zetten.

4.1 Palletwagens

Een palletwagen is een voertuig met een hefhoogte van 20 cm dat geschikt is voor het handmatig of elektrisch verplaatsen van pallets.

Bij het werken met palletwagens horen een aantal gevaren:

  • rugklachten door verkeerde werkhouding
  • pijnlijke schouders en armen door het trekken aan een palletwagen met te zware lasten
  • vallen van de lading
  • beknelling van vingers, enkels, voeten en tenen
  • het aanrijden van personen, goederen of gebouwen
  • beschadiging van goederen en uitrusting door verkeerd gebruik

Bij het werken met palletwagens horen een aantal veiligheidsmaatregelen:

  • stabiel laden, last over twee vorken spreiden
  • rijden over egale grond
  • zorgen voor genoeg manoeuvreerruimte
  • de bediener moet een goede houding aannemen

4.2 Vorkheftrucks

Een vorkheftruck is een door middel van een elektromotor of een verbrandingsmotor aangedreven transportmiddel, vooral bedoeld voor het vervoer van goederen die op een pallet staan. De gevaren die hierbij horen zijn:

  • vallen van de last
  • kantelen van de lading
  • kantelen van het voertuig
  • het aanrijden van personen, goederen of gebouwen
  • beschadiging van goederen en uitrusting door verkeerd gebruik
  • inademen van dieselmotorenemissie bij het werken met een vorkheftruck in een gesloten ruimte

Je mag het contragewicht nooit verzwaren. Personen mogen alleen meerijden als er een speciale zitplaats is of als er een speciale werkbak wordt gebruikt en er voldaan is aan de veiligheidsvoorwaarden. Tevens mag men zonder speciale werkbak geen personen heffen. Er mag met een vorkheftruck alleen gehesen worden als een speciale hijsinrichting is aangebracht; besef dat de vorkheftruck dan wordt gezien als hijskraan! De chauffeur moet over aantoonbare, getoetste deskundigheid beschikken; hij of zij moet een veiligheidsgordel gebruiken en het zicht moet optimaal zijn.

4.3 De verreiker

Door inzet van een verreiker bespaar je je veel sjouwwerk! Vooral bij sloopwerk en opperen op hoogte biedt een verreiker een goede oplossing. Tijdens het rijden dient extra gelet te worden op aanrijdgevaar; pas ook op voor beknelling. Voor hijsen met een verreiker moet je een persoonscertificaat hebben; bij het rijden op de openbare weg moet je daarnaast een rijbewijs bezitten, zie ook de eisen die worden gesteld aan hijskranen                                                           (meer hierover vind je in hoofdstuk 9).

5. Elektriciteit op de bouwplaats

Voor elektriciteit op bouwplaatsen zijn allerlei regels opgesteld, maar die hoef je niet allemaal te leren. Wel moet je weten dat je in bijvoorbeeld kelders en kruipruimten geen 220 volt mag gebruiken; gebruik hier 120 volt gelijkspanning of 50 volt wisselspanning.

Je moet erop letten dat er verschillende klassenaanduidingen bestaan, namelijk klasse I, II en III. In de tekening staat aangegeven waar je welke klasse en stroom mag gebruiken. Een veiligheidsaarding is een verbinding van de uitwendige metalen delen van elektrische toestellen met aarde. Dit voorkomt dat deze metalen delen bij een defect onder spanning komen te staan. Met betrekking tot het aanbrengen van een veiligheidsaarding is het belangrijk dat men met het aarden zoveel mogelijk aansluit op het bestaande aardnet. Het kan verplicht zijn dat steigers (stellingen) zijn verbonden met een aardleiding; dit is het geval wanneer er zich op of aan de steigers elektrische kabels, leidingen en/of elektrisch materieel (zoals handgereedschap) bevinden die onder een niet-veilige spanning staan. Een voorbeeld van een veiligheidsaarding is een aardlekschakelaar; deze aardlekschakelaar schakelt de stroom uit zodra er ergens meer dan 30 mA ‘weglekt’, bijvoorbeeld door kortsluiting of een ongeïsoleerd apparaat. Ook moet iedereen de verdeelkast kunnen uitschakelen bij noodsituaties.

De beveiligingswaarde van de aardlekschakelaar die in de bouwstroomaansluitkast moet worden toegevoegd voor extra veiligheid is 30 mA per uitgaande voeding en 300 mA in het algemeen. De aardlekschakelaar heeft zijn beperkingen; het biedt geen absolute veiligheid, maar is wel veiligheidverhogend. Daarnaast biedt het geen bescherming tegen overstroom, opwarming en kortsluiting. Bovendien moet de aardlekschakelaar regelmatig getest worden. Ook moet iedereen de verdeelkast kunnen uitzetten bij noodgevallen; wel is het dan noodzakelijk goed te markeren waar de leidingen liggen, zodat deze bij graafwerkzaamheden niet worden geraakt.

Gebruik zo weinig mogelijk haspels en verlengkabels. Een gevaar bij het gebruik van voedings- en verlengkabels is overbelasting van de kabel. Een veiligheidsmaatregel is bijvoorbeeld het zeker stellen dat de voedings- of verlengkabel geschikt is voor het vermogen van de aangesloten apparaten. Respecteer altijd het maximaal  toelaatbare vermogen van de haspel in opgerolde en uitgerolde toestand. Rol haspels volledig af om warmteontwikkeling te voorkomen, hierdoor zou weer kortsluiting en brand kunnen ontstaan. Kabels kunnen worden ingegraven of op voldoende hoogte worden opgehangen; dit voorkomt struikelen en andere beschadigingen.

Containers moeten volgens de voorschriften aangesloten worden; dit betekent dat er ook geaard moet worden.
Het veiligstellen van installatie en apparatuur betekent dat deze drukvrij en spanningsloos worden gemaakt. Door veiligstellen wordt voorkomen dat apparaten, machines en installatieonderdelen onbedoeld in beweging komen (waardoor de werknemer met bewegende delen in aanraking zou kunnen komen) of onbedoeld onder elektrische spanning komen te staan. Alleen bevoegde personen mogen de installatie en de apparatuur veiligstellen. Deze personen zorgen ervoor dat:       

  • de installatie/apparatuur buiten gebruik wordt gesteld
  • er geborgd is tegen het opnieuw inschakelen
  • er controle op veiligstelling plaatsvindt

Bij het werken met elektriciteit kunnen ongevallen gebeuren. De volgende oorzaken houden verband met het werken met elektriciteit:

  • defecte en ondeugdelijke machines
  • slechte of ontbrekende aardverbindingen
  • foutieve aanleg of montage
  • directe of indirecte aanraking van onder spanning staande delen

Bij het gebruik van elektrisch materieel horen veiligheidsmaatregelen. Veiligheidsmaatregelen voor het werken met elektrisch materieel zijn:

  • visueel controleren op beschadigingen en afwijkingen
  • beschadigingen melden en beschadigd materieel niet gebruiken

Veiligheidsmaatregelen om de mens te behoeden voor de gevaren van elektriciteit zijn:

  • aarding
  • isolatie
  • dubbele isolatie
  • aardlekbeveiliging
  • gebruik van zeer lage spanningen
  • fysieke afscherming

Fysieke afscherming houdt in: Door het aanbrengen van een afscherming of omhulsel worden onder spanning staande delen onbereikbaar gemaakt. Voorbeelden van fysieke afscherming zijn schakelkasten en omkastingen van wasmachines.

 Er zijn verschillende beveiligingen voor omkastingen. Ze beveiligen tegen:

  • indringen van vocht (bijv. regen)
  • indringen van stof
  • stoten en vallende voorwerpen

Isolatie houdt in dat spanningvoerende delen onbereikbaar zijn gemaakt door ze te omgeven met niet-geleidend materiaal; slechts stuk maken maakt deze functie ongedaan. Voorbeelden van isolatie zijn: rubber, kunststof en keramiek. Na werktijd moet de bouwelektra worden afgesloten, zodat kinderen niet met elektrisch gereedschap kunnen spelen. Ook moet de groepenkast op slot; kinderen kunnen de stroom anders alsnog zelf inschakelen.

Verlichting   

De omstandigheden waaronder je je werk moet verrichten kunnen heel verschillend zijn. Het is nooit prettig om in een vieze, donkere en gevaarlijke omgeving te werken. Als je steeds moet kijken waar je je voet neer kunt zetten bij het lopen loop je grote veiligheidsrisico’s. Ook kun je op den duur bedrijfsblind worden; je let niet meer goed op. Vooral in de winter is het nodig dat de bouwplaats voldoende verlicht is. Om te  voorkomen dat lichtmasten omwaaien kun je die aan een stelconplaat verankeren. De lampen met klasse I moeten buiten handbereik worden geplaatst; dat is niet alleen omdat ze heel heet worden, maar ook om elektrocutiegevaar te voorkomen.

6. Een goede werkhouding

Op bouwwerken wordt nog veel handmatig werk verricht; je kunt denken aan tillen en dragen. Het is daarom van groot belang om een goede werkhouding te hebben. Voorlichting hierover kan door middel van gerichte instructies of scholing. Het verrichten van zware lichamelijke inspanning (tillen, duwen en sjorren) moet zoveel mogelijk worden voorkomen.

Je kunt op twee goede manieren duwen en trekken. De ene manier is dat je alleen je armen en benen gebruikt; je lichaam blijft op dezelfde plaats. De andere manier is duwen of trekken mét je armen en benen waarbij ook je lichaam in beweging komt. Bij het verrichten van zware inspanning moet je regelmatig rusten; je kunt beter een aantal keren kort rusten dan één keer lang. Denk bij duwen en trekken daarom aan de volgende zaken:

  • gebruik zoveel mogelijk mechanische hulpmiddelen
  • zorg voor een goed begaanbare, vlakke, verharde ondergrond
Wist je dat… je je maximale inspanning slechts 4 seconden kunt volhouden?
Wist ja dat

Ook is het belangrijk om op de juiste wijze te tillen. Op een verkeerde manier tillen en verplaatsen van materiaal kan ernstige rugklachten veroorzaken. Tillen op de juiste manier doe je door zoveel mogelijk gebruik te maken van je beenspieren. Til met gebogen knieën en een rechte rug. Houd de last of het voorwerp zo dicht mogelijk tegen je lichaam aan. Zorg ervoor dat je voldoende grip hebt, anders kan de last vallen. Zorg er ook voor dat bij het neerzetten je vingers nergens tussen bekneld raken. Gebruik bij ruw materiaal, zoals elementen en klinkers, altijd handschoenen.

De veiligheidsmaatregelen bij handmatig tillen en verplaatsen zijn:

  • het maximaal te tillen gewicht is 25 kg (advies)
  • tillen in zithouding moet worden voorkomen
  • niet te hoog tillen
  • de last niet te ver verplaatsen
  • let op gladde, niet egale vloeren, gaten en trappen
  • bepaal zelf het tempo en las korte pauzes in
  • rustig tillen

 De veiligheidsmaatregelen voor de persoon die lasten tilt zijn:

  • veiligheidskleding en PBM dragen
  • regelmatig van houding wisselen

Het verplaatsen van een last heeft ook invloed op je eigen lichaam; gebruik je lichaam daarom op een goede manier.

7. Weersomstandigheden

In hoofdstuk 5 hebben we al aandacht besteed aan de weersomstandigheden en het effect daarvan op je huid. Nu zullen we bepaalde weersomstandigheden onder de loep nemen die gevaren met zich mee kunnen brengen:

  1. felle zon
  2. sterke wind
  3. bliksem
  4. regen en mist
  5. sneeuw en ijs
  6. duisternis

We geven per onderdeel aan wat je zelf kunt doen om onveilige situaties en ongelukken te voorkomen.

A. felle zon

Als je voor je beroep buiten moet werken vormt zonlicht een groot arbeidsrisico. Langdurige blootstelling aan uv-straling leidt niet alleen tot huidkanker, maar heeft ook een nadelig effect op je afweersysteem (dus word je eerder ziek). Als je buiten werkt krijg  je 2 tot 3 keer zoveel uv-straling te verwerken als bijvoorbeeld kantoorpersoneel; daardoor heb je 4 tot 5 keer meer kans om huidkanker te krijgen. Het is dus absoluut nodig om jezelf tegen de zon te beschermen!

De vuistregels van het stappenplan ‘Kijk uit voor je huid’ die we je aanraden zijn:

  • werk in een overall of lange broek en overhemd of T-shirt met lange mouwen
  • draag een helm of pet met klep en nekflap
  • smeer onbedekte lichaamsdelen elke twee uur in met zonnebrand-
  • crème factor 10 of meer, of een sunblock. Als je veel zweet moet je je vaker insmeren
  • draag een (sport)zonnebril die je ogen ook aan de zijkant beschermt
  • ga naar een arts als een moedervlek verandert of een zweertje niet overgaat
Wist je dat… met ontbloot bovenlichaam lopen niet alleen gevaarlijk is vanwege UV-straling? Je loopt ook veel meer risico op letsel door de materialen waarmee je werkt (lijm en teer bijvoorbeeld) en het materieel waar je je aan kunt stoten. Bovendien vergroot het de kans op rugklachten!
Wist je dat

B. sterke wind

Met sterke wind bedoelen we windkracht 6 en hoger; bij deze windkracht. kun je beter geen werkzaamheden op hoogte meer uitvoeren. Je begrijpt dat het bovendien ook geen pretje is om dan op het dak te moeten werken.

Isolatieplaten kunnen wegwaaien

Maar behalve risico’s voor dakdekkers kan harde wind om de volgende redenen gevaarlijk zijn:

  • sterke afkoeling lichaamstemperatuur; als het hard waait heb je het eerder koud omdat je lichaamstemperatuur daalt
  • kantelgevaar hijswerktuigen
  • verstuiven van zand; dit kan bijvoorbeeld oogletsel veroorzaken en geeft veel rommel op de bouwplaats
  • wegwaaiend materiaal; dit kan allerlei nare gevolgen hebben, bijvoorbeeld als het in machines of op mensen terechtkomt.
  • kantelgevaar wanden; net neergezette wanden die nog onvoldoende weerstand kunnen bieden tegen harde windstoten kunnen omwaaien, met alle gevolgen van dien.

Ten eerste moet je jezelf dus warm aankleden om goed op temperatuur te blijven en niet ziek te worden. Ten tweede moet je ervoor zorgen dat de spullen op de bouwplaats, zowel materiaal als materieel en het gebouw zelf, goed vastgezet worden. Gibo en kalkzandsteen moeten op een goede manier geschoord worden, zie het voorbeeld hiernaast.

Let ook op verticale belasting door wind. Soms is het moeilijk om tijdig maatregelen te nemen tegen harde wind. Vooral harde windstoten vormen een verraderlijk risico; let daarom op als je de weersomstandigheden snel ziet veranderen. Begint de lucht opeens te betrekken en wordt het snel kouder, check dan of je werksituatie tegen zwaar weer bestand is.

Schoren van kalkzandsteen

C. bliksem

Werken bij onweer en bliksem brengt enorme risico’s met zich mee; het letsel wat door een blikseminslag veroorzaakt wordt is meestal blijvend of dodelijk. Neem bij onweer de volgende maatregelen:

  • zoek een veilige plek om te schuilen tot het onweer voorbij is. Dat is in een bouwwerk, een auto of de cabine van een machine waarvan de ramen gesloten zijn
  • een gebouw is veiliger dan een houten keet
  • ga niet vlak bij metalen hekken, lichtmasten, bomen, bouwliften, leidingen of steigers staan; als de bliksem daar inslaat, krijg jij ook een klap. Blijf zeker uit de buurt van het dak, want dan kan het zijn dat je het hoogste punt bent!

Let op: Als je buiten aan het werk bent moet je stoppen met werken als de tijd tussen donder en bliksem minder dan 10 seconden bedraagt; er is dan extra kans op blikseminslag.

Wist je dat… de snelheid van geluid 300 meter per seconde
Wist je dat

D. regen en mist

Regen en mist zijn in Nederland niet bepaald zeldzame natuurverschijnselen. Deze weersomstandigheden lijken misschien onschuldig, maar kunnen behalve veel ongemak ook risico’s met zich meebrengen.

Behalve de slechte invloed die ze op je huid hebben kunnen ze de oorzaak vormen voor:

  • slecht zicht
  • gezondheidsklachten (zoals reuma, allergische reactie)
  • modder, plassen en gladheid
  • slecht begaanbare ladders

De eerste twee punten hebben te maken met je lichamelijke conditie, de laatste twee met de situatie op de bouw in het algemeen. Juist door een combinatie van factoren wordt de kans op ongevallen groter.

E. sneeuw en ijs

Als het werken bij regen en mist al gevaren met zich meebrengen, dan geldt dat natuurlijk zéker voor kou en vorst. We noemen de volgende nadelen:

  • warmteverlies: je hebt beschermende kleding nodig
  • gladheid
  • je gevoelstemperatuur ligt lager
  • bevriezingsgevaar: ogen, vingers, tenen
  • grotere kans op storing aan materieel

Het spreekt min of meer voor zich dat bij zulke temperaturen goede en warme werkkleding onontbeerlijk is.

Wist je dat… als het hard vriest en je met je blote handen een ijzeren staaf beetpakt, je hieraan vast kunt vriezen?
Wist je dat

F. duisternis

Met name in de winterperiode, maar ook bij zware bewolking en regenbuien, kan het werken op de bouw bemoeilijkt worden door duisternis. Als je slecht zicht hebt neemt de kans op ongelukken toe. Je raakt eerder vermoeid, kunt minder nauwkeurig je werk doen, glijdt eerder uit en je ziet ook onveilige situaties minder snel aankomen. Denk bijvoorbeeld aan onbeveiligde wand- en vloeropeningen die door duisternis slecht of moeilijk te zien zijn! Als je je bewust bent van deze gevaren: een gewaarschuwde mens telt voor twee…