06. Bijzondere omstandigheden

06. Bijzondere omstandigheden

1. Inleiding

Enkele jaren geleden liep een onderhoudsklus op een Duitse luchthaven niet zo goed af. Tijdens laswerkzaamheden was brand ontstaan in een gebouw; als gevolg van enorme rookontwikkeling door de brand moest de luchthaven een aantal uren gesloten worden. De schade qua vertragingen en het gevaar dat de passagiers liepen was enorm groot. De gevolgen van onoplettendheid of een foutje tijdens werkzaamheden kunnen verder reiken dan alleen je eigen werkplek.

Dit hoofdstuk gaat over bijzondere omstandigheden waaronder je soms je werk in de bouw moet verrichten. Met het een heb je wellicht meer te maken dan het ander. We behandelen de volgende onderwerpen:

 

*   Werken in de petrochemie

Het werken in de petrochemie komt vervolgens aan de orde. In deze industrie (bijvoorbeeld bij DSM, Shell of Tata Steel) gelden aanvullende regels voor de veiligheid omdat er gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen. Meestal gaan de productieprocessen gewoon door tijdens onderhoudswerkzaamheden. De gevolgen van een ongeval kunnen daar veel groter zijn; ook is er vaak sprake van brand- en explosiegevaar in deze tak van industrie.

*   Werken in besloten ruimten

Het werken in besloten ruimten komt daarna aan de orde. De meeste bouwvakkers hebben daar weinig ervaring mee. Je kunt bij een besloten ruimte denken aan kruipruimten, maar ook aan opslagtanks, silo’s en rioolbuizen.

*   Werken met elektriciteit

We bespreken de gevaren van elektriciteit en elektrocutie. Op de bouw gebruiken we dagelijks allerlei materieel waar stroom op staat; we lopen daardoor risico’s m.b.t elektrocutie.

*   Brand en explosie

Hopelijk maak je nooit een explosie of brand mee. Brand- en explosiegevaar ligt in het dagelijks leven altijd op de loer; in de bouw is er echter sprake van een verhoogd risico. Om brand en explosies te voorkomen kun je een aantal eenvoudige maatregelen treffen. Daar zullen we in dit hoofdstuk uitgebreid op ingaan; daarnaast komt aan de orde hoe je dient te handelen als die wel zijn ontstaan.

“Nul is het doel. In Shell worden veel taal gesproken, maar overal kent men ‘Goal zero’; het doel dat alle werk gebeurt zonder ongeval, vervuiling of externe klachten. Wie na een maand geen fouten heeft gemaakt, mag zijn gele veiligheidshesje ruilen voor een oranje exemplaar, bewijs dat de ‘veiligheidspuberteit’ voorbij is”.

Bron: Shell Venster, december 2010

2. Veiligheidsregels

De veiligheidsregels bij bedrijven kun je verdelen in algemene en specifieke veiligheidsregels.

2.1 Algemene veiligheidsregels

Voor iedereen op de bouw gelden de algemene veiligheidsregels. Dus niet alleen het eigen personeel, ook uitzendkrachten, bezoekers en het personeel van onderaannemers moeten zich aan deze regels houden.

Voor deze algemene veiligheidsregels geldt dat ze:

  • schriftelijk zijn vastgelegd
  • aan iedereen die voor het eerst op de locatie komt worden verteld / gegeven
  • duidelijk en eenduidig zijn
  • ook anderstaligen moeten het kunnen begrijpen

Deze algemene veiligheidsregels gaan bijvoorbeeld over:

  • dat je je moet aan- en afmelden
  • de verkeersregels die gelden op het terrein
  • hoe je moet handelen bij calamiteiten
  • welke soorten afval worden gescheiden
  • bij wie je ongevallen, brand en incidenten moet melden

2.2 Specifieke veiligheidsregels

In bijvoorbeeld de petrochemie is vaak sprake van bijzondere omstandigheden; het uitvoeren van je werk in zulke omstandigheden brengt een verhoogd risico met zich mee. Daarom worden daar, naast de algemene, ook specifieke veiligheidsregels opgesteld. Je kunt hierbij bijvoorbeeld denken aan:

  1. het betreden van een besloten ruimte
  2. het werken op hoogte
  3. warm/heet werk
  4. Graafwerkzaamheden
  5. Explosiegevaarlijke omgeving

Specifieke veiligheidsregels kunnen gaan over bijvoorbeeld het gebruik van PBM en specifieke arbeidsmiddelen of het toepassen van afscherming, ventilatie, signalering of markering. De regels moeten duidelijk (ook voor anderstaligen!) en eenduidig zijn; ze moeten beschikbaar zijn voor de betreffende medewerkers. Ook is het belangrijk dat de werknemers een toelichting krijgen en dat getoetst wordt of ze de regels hebben begrepen.

2.3 Werkvergunning

Bij petrochemische bedrijven zijn het niet alleen de werkzaamheden die risico’s met zich meebrengen; je kunt ook met gevaarlijke productieprocessen of installaties te maken krijgen. Je kunt hierbij denken aan machines die een hoge temperatuur hebben of leidingen waar giftige stoffen in zitten.

Bij een werkvergunning (niet wettelijk, de opdrachtgever bepaalt) zijn 3 groepen personen betrokken: de vergunningverstrekker, de vergunninghouder en de operationele medewerkers. Met de laatste groep bedoelen we de mensen die werken met hun handen. Hieronder volgen hun rechten en plichten bij de werkzaamheden:

Vergunningverstrekker (= opdrachtgever)

  • controleert of de installatie kan worden vrijgegeven
  • ondertekent de vergunning
  • spreekt de vergunning door met de vergunninghouder
  • verricht indien nodig metingen
  • zorgt voor afstemming en coördinatie tussen verschillende partijen

Vergunninghouder (= leidinggevende)

  • geeft uitleg aan de operationele medewerkers
  • ondertekent de vergunning
  • ziet er op toe of er volgens de vergunning wordt gewerkt
  • zorgt ervoor dat de vergunning ter plaatse is

Operationele medewerkers zijn verplicht om

  • zich op de hoogte stellen van de inhoud van de vergunning
  • zich te houden aan de voorwaarden en maatregelen uit de vergunning
  • alléén te ondertekenen als ze gerechtigd zijn
  • mogen alleen werken met een geldige vergunning
  • moeten letten op de geldigheidsduur

Met het ondertekenen van de vergunning geeft men aan dat men akkoord is met de inhoud van de vergunning.

De leidinggevende van de operationele medewerkers heeft een aantal verplichtingen:

  • alle maatregelen van te voren grondig doorspreken
  • ervoor zorgen dat de vergunning op de werkplek aanwezig is
  • controleren of de door de verstrekker en houder genomen maatregelen getroffen zijn

Vaak heb je voor zulke werkzaamheden een specifieke opleiding nodig of moet je een extra toelichting bij de taken krijgen. In die gevallen heb je vaak een bepaalde vergunning nodig, de zogenaamde aanvullende werkvergunning.

 Zo’n aanvullende werkvergunning kan nodig zijn voor:

  • het betreden van een besloten ruimte
  • brandgevaarlijk werk zoals lassen en slijpen (soms wordt dit een vuurvergunning of heetwerkvergunning genoemd)
  • graven in vervuilde grond of in grond waarin leidingen liggen
  • werken aan of bij gevaarlijke stralingsbronnen
  • hijswerkzaamheden bij installaties
  • als bij slopen asbest vrij kan komen
  • werken met gevaarlijke stoffen
  • werken op hoogte

Het hangt van de opdrachtgever af of er gewerkt wordt met werkvergunningen. Het doel van een algemene vergunning is om er zeker van te zijn dat er overleg plaats vindt voordat aan de werkzaamheden wordt begonnen. Dus de opdrachtgever moet formele toestemming geven dat je de werkzaamheden mag uitvoeren. Het is nodig in zulke situaties goed te weten wat iedereen doet! De functies van de werkvergunning zijn:

  • overleggen met iedereen die bij het werk betrokken is
  • het maken bindende afspraken maken met alle betrokkenen
  • de voorwaarden om te werken moeten worden vastgelegd
  • vóór aanvang van de werkzaamheden moet er toestemming zijn verleend

In de werkvergunning worden de specifieke risico’s genoemd; aan de hand van de deze lijst worden maatregelen voorgeschreven. De werkvergunning bestaat uit vier onderdelen:

  1. De gevraagde werkzaamheden. Hierin staat
  • wat de werkzaamheden inhouden
  • hoe en waar de werkzaamheden plaatsvinden
  1. Maatregelen (voorgeschreven door verstrekker). Hierin staan
  • de maatregelen om veilig te kunnen werken
  • maatregelen voor het veiligstellen, bijvoorbeeld vergrendelen
  • maatregelen voor het detecteren van omstandigheden die
  • risico’s kunnen vormen
  1. Maatregelen (te nemen door de operationele medewerker).
  2. Ondertekening

Een werkvergunning zorgt er dus voor dat alle betrokken partijen volledig op de hoogte worden gesteld en weten wat hun taken en verantwoordelijkheden zijn. Het staat op schrift, het is toegelicht aan de betrokkenen en de vergunning is ondertekend.

2.4 Heetwerkwacht

De taken van de heetwerkwacht/brandwacht zijn volgens de heetwerkvergunning:

  • preventieve acties om brand te voorkomen
  • toezien op de eisen uit de heetwerkvergunning
  • inschakelen van hulpdiensten bij het ontstaan van brand
  • een beginnende brand blussen tot de aankomst van brandweer/interventieploeg
  • eerste hulp toepassen

De eis die aan een heetwerkwacht wordt gesteld is dat degene hier een aangepaste opleiding voor heeft genoten.

2.5 Steekflenzen

Als schoonmaak- en inspectiewerkzaamheden of reparaties moeten worden uitgevoerd kan het nodig zijn om steekflenzen te gebruiken. Ook bij het spoelen, gasvrij maken of uitstomen van leidingen kunnen ze worden gebruikt. Een andere toepassing is het vervangen van afsluiters en apparatuur op leidingen die producten vervoeren.

 

 

Steekflenzen worden naast de normale systeemafsluiters gebruikt. Een steekflens is een metalen plaat die tussen een flensverbinding kan worden bevestigd; ze worden gebruikt als extra afsluiters van toevoerleidingen naar vaten, tanks of installaties.

Steekflens

Steekflenzen kunnen worden gebruikt wanneer besloten ruimten moeten worden betreden en men er zeker van wil zijn dat er geen stoffen binnendringen via de verschillende leidingen. Bij ‘lege’ leidingen bestaat het gevaar dat er nog wel brandbare gassen in kunnen zitten; daarom moeten leidingen worden afgeblind of losgekoppeld. Om de veiligheid te vergroten moet het plaatsen van steekflenzen zo dicht mogelijk bij de te isoleren apparatuur gebeuren; dit voorkomt dat gassen die zich nog in de leidingen bevinden in de ruimte stromen, met alle gevolgen van dien.

3. Werken in besloten ruimten

Kruipruimtes en opslagtanks zijn in de bouw de voorbeelden van besloten ruimten. Maar ook inspectieruimten bij bruggen en viaducten, kelders en putten kunnen besloten ruimten zijn. Er zijn een aantal zaken kenmerkend voor een besloten ruimte:

  • nauwelijks natuurlijke ventilatie
  • slecht verlicht
  • moeilijk toegankelijk
  • slechte vluchtmogelijkheden
  • nauw, klein, nat, glad, weinig bewegingsruimte
  • niet bedoeld voor verblijf van personen
  • leidingen en kabels zitten op onverwachte plaatsen

Deze zaken maken het werken in zulke ruimten moeilijk; je kunt je soms nauwelijks bewegen. Kleine concentraties van bepaalde gevaarlijke of giftige stoffen kunnen al gevaarlijk zijn. Bovendien moet je kunstlicht gebruiken.

 

                               Schaars verlichte kruipruimte met leidingen en water op de bodem

Schaars verlichte kruiprimte met leidingen en water op de bodem

Bij besloten ruimten kun je denken aan:

  • kruipruimten en liftschachten
  • riolen en leidingen
  • opslagreservoirs en opslagtanks
  • lastentjes bij diepe uitgravingen of vervuilde grond

3.1 Risico's van het werken in besloten ruimten

A. Brand- en explosiegevaar

In ruimten waar explosiegevaar bestaat moeten regelmatig controlemetingen worden uitgevoerd, door een deskundig persoon welteverstaan. Omdat er meestal weinig ventilatie is wordt de onderste explosiegrens snel bereikt. Om veilig te werken moet je onder de 10% van de onderste explosiegrens blijven; als deze waarde bereikt wordt geeft het meetapparaat een waarschuwingssignaal. Besloten ruimten zijn soms gevuld geweest met brandbare vloeistoffen of gassen, zoals in tanks en ketels. Dampen van deze brandbare stoffen kunnen door onvoldoende ventilatie in de besloten ruimte blijven hangen; een kleine ontstekingsbron kan in zo’n situatie al een brand of een explosie veroorzaken. Elektrisch materieel kan een ontstekingsbron zijn. Ook bij het verwijderen van roestlagen kan brand ontstaan.

B. Verstikkingsgevaar

In besloten ruimten loop je kans om te stikken omdat er een tekort aan zuurstof kan zijn door aanwezigheid van inert gas. De zuurstof die je nodig hebt om te ademen kan uit de besloten ruimte zijn verdreven of verbruikt zijn. Zuurstof kan verbruikt zijn door roestvorming, bijvoorbeeld in een opslagtank. Tijdens het roesten wordt er namelijk zuurstof aan de lucht onttrokken, waardoor het zuurstoftekort ontstaat. Te weinig zuurstof kunnen wij niet met onze neus niet waarnemen. Kenmerkend voor een zuurstoftekort is dat je eerst last krijgt van slappe spieren; daarna raak je buiten bewustzijn. Het zuurstofgehalte in een besloten ruimte moet daarom eerst goed gemeten worden. Het minimale zuurstofpercentage moet 19% zijn. Daarnaast moet je voor het betreden van een besloten ruimte meten of    de concentratie van giftige gassen, dampen en stoffen lager is dan de grenswaarde. Wat de grenswaarde inhoudt kun je terugvinden in hoofdstuk 3. Als je alle voorgaande dingen hebt gecontroleerd mag je in principe een besloten ruimte zonder adembeschermingsmiddelen binnengaan. Wel moet je zorgen voor een goede, adequate luchtverversing. Ook moet je regelmatig de lucht in de ruimte (laten) meten; deze metingen moeten worden uitgevoerd door een deskundig persoon. Er moet op meerdere plaatsen gemeten worden; afhankelijk van het risico wordt er periodiek of continu gemeten. Indien onvoldoende zuurstof aanwezig is is het gebruik van filtermaskers niet toegestaan; je moet dan onafhankelijke adembescherming dragen (zie hoofdstuk 5).

 

C. Vergiftigingsgevaar

Giftige dampen die buiten besloten ruimten niet zo snel tot vergiftiging leiden kunnen dat wel in een afgesloten ruimte; de concentratie komt dan boven de grenswaarde uit. Voorbeelden hiervan zijn giftige of bedwelmende gassen en dampen in rioolputten en kruipruimten. In riolen kunnen concentraties van giftige gassen als waterstofsulfidegas of zwavelwaterstofgas voorkomen. Deze gassen verdoven je zenuwen; je wordt dan niet gewaarschuwd door hun geur. Je kunt er echter wel in enkele minuten dood aan gaan. Daarom moet je besloten ruimten goed ventileren. Als dat niet mogelijk is moet je adembeschermende middelen gebruiken.

D. Elektrocutiegevaar

Omdat het vaak vochtig is in besloten ruimten kan elektrisch gereedschap onder stroom komen te staan. Elektrische apparaten moet je daarom vooraf op de juiste wijze spanningsvrij (laten) maken. Door de slechte ventilatie in een besloten ruimte wordt je lichaamstemperatuur hoger; daardoor ben je vochtiger en is er meer geleiding. In een besloten ruimte met geleidende wanden mag je daarom alleen werken met ‘veilige spanning’ werken. Dit geldt ook voor looplampen. Lampen voor kruipruimten hebben een klasse III aanduiding; hierover wordt meer verteld in hoofdstuk 8.

E. Gevaar voor bewegende delen

In ketels, tanks en inspectieruimten onder bruggen en sluizen bestaat het gevaar voor bewegende delen waartussen je bekneld kunt raken. Een voorbeeld hiervan is een roerwerk dat onverwachts begint te draaien. Dit kan leiden tot de dood. Daarom moet een deskundige de bewegende delen buiten bedrijf laten stellen én vergrendelen.

F. Gebruik gas en zuurstofflessen

Als je in een besloten ruimte met gas- of zuurstofflessen gaat werken moet je extra veiligheidsmaatregelen nemen. Je moet de slangen vooraf controleren op mogelijke lekken. De gasflessen moet je altijd buiten de ruimte plaatsen. Tijdens pauzes en aan het einde van de werkzaamheden moeten ook de branders en slangen buiten de ruimte worden geplaatst.

G. Lassen en snijden

Als je in een besloten ruimte gaat lassen of snijwerkzaamheden uitvoeren moet je extra veiligheidsmaatregelen nemen. Alle brandbare stoffen moeten worden weggehaald of, als dat niet kan, afgedekt worden. Je moet blusmiddelen binnen handbereik hebben. Bij lassen moet je plaatselijke afzuiging hebben om de lasdampen af te voeren. Bij elektrisch lassen moet je een veilige spanning gebruiken om te voorkomen dat je onder stroom komt te staan.

H. Verf

Bij het schilderen/verf spuiten in een besloten ruimte moet je altijd onafhankelijke adembescherming gebruiken. Tevens moet voor goede mechanische ventilatie in de ruimte worden gezorgd; die ventilatie moet tot een aantal dagen na de werkzaamheden aanblijven. Alle apparaten moeten worden geaard in verband met statische elektriciteit. Ten slotte moet je de ruimte niet afsluiten voor zuurstof, anders kan de verf niet hard worden.

3.2 Eisen voor werken in besloten ruimten

Er zijn eisen waaraan je moet voldoen om in een besloten ruimte te kunnen werken:

  • je mag nooit alleen werken in een besloten ruimte. Je moet
  • minstens 18 jaar oud zijn
  • leidingen die op de ruimte zijn aangesloten moeten afgeblind of losgekoppeld zijn
  • de toezichthouder moet bij de toegang van de ruimte staan en contact met jou onderhouden
  • als jij in gevaar komt kan de toezichthouder hulpverleners alarmeren
  • de toezichthouder controleert de ventilatie
  • gebruik gehoorbescherming, afhankelijk van de werkzaamheden
  • je moet een reddingslijn dragen, tenzij dit gevaar oplevert
  • waarschuwingsborden ‘Verboden voor onbevoegden
  • blijf altijd zo kort mogelijk in een besloten ruimte

 

 

Een driepoottakel (bok met redlijn)

Kortom, voor het werken in een besloten ruimte moet je goed op de hoogte zijn van de risico’s die we net hebben besproken. Je moet weten welke gevaarlijke stoffen er zijn en hoe persoonlijke beschermingsmiddelen werken. Verder dien je op de hoogte te zijn van de alarmprocedure.

4. Werken met elektriciteit (theorie)

Ongelukken met elektriciteit gebeuren meestal door het aanraken van leidingen of machines die niet goed geïsoleerd zijn; we noemen dit elektrocutie. Het letsel als gevolg van elektrocutie hangt af van de volgende factoren:

  • de weg die de stroom door het lichaam aflegt
  • de stroomsterkte
  • de tijdsduur van de stroomdoorgang
  • de spanning en stroom
  • je lichamelijke conditie
Elektrocutiegevaar

Hierboven werd gesproken over stroomsterkte. De volgende factoren zijn van invloed bij de stroomdoorgang door je lichaam:

  • spanning
  • vochtigheidsgraad van je huid
  • de dikte van je huid
  • het aanrakingsoppervlak (hoe groter hoe erger)
  • weerstand van de plaats waar je je bevindt

De weerstand van de plaats waar je staat is hoger als je op een linoleum vloer of rubbermat staat; er komt dan minder stroom door je lichaam. Terwijl er juist meer stroom door je lichaam gaat als je op een stenen-/betonvloer of in de modder (aarde) staat.

Het aanraken van stroom geeft soms maar een kleine schok. Toch kun je als je op een ladder staat, als gevolg van de schrik, vallen en iets breken. We noemen dat secundair letsel.

Als je onder een elektrische stroom van 30 mA of meer komt te staan kan dat de grote gevolgen hebben op je lichaam. Je bloeddruk stijgt, je hartslag wordt onregelmatig, je kunt bewusteloos raken, verkramping treedt op en in het ergste geval is er sprake van hartkamerfibrillatie (je hart stopt met pompen). 

Gelijkspanning is minder gevaarlijk dan wisselspanning; daarom moet je in vochtige ruimten gebruik maken van 120 Volt gelijkspanning of van maximaal 50 Volt wisselstroom. Wel is het zo dat gelijkspanning bij kortsluiting een grotere vlamboog veroorzaakt!

Gebruik altijd dubbel geïsoleerd materieel. Belangrijk is om te controleren of de verlengkabel geschikt is voor het vermogen van de aan te sluiten apparaten. Als je buiten aan het werk bent moeten kabelhaspels voorzien zijn van klepjes; dit voorkomt dat er regen in loopt. Kabels en snoeren, waarvan het isolatiemateriaal door slijtage of doorsnijden is beschadigd, moet je direct vervangen.

Kortsluiting ontstaat als twee onder verschillende spanning staande delen direct met elkaar in contact komen. Bijvoorbeeld als je een niet geïsoleerde schroevendraaier in een wandcontactdoos stopt. Bij kortsluiting kun je geraakt worden door rondvliegende delen; soms kun je zelfs weggeslingerd worden doordat een drukgolf ontstaat.

 

Als de spanning tussen delen (bijvoorbeeld stroomdraden) te hoog wordt spreken we van een vlamboog; dit is afhankelijk van de stroomsterkte. Een vlamboog kan dus ook het gevolg van korstsluiting zijn. Bij lassen wordt dit verschijnsel bewust opgewekt. Als je in aanraking komt met een vlamboog kun je ernstige verwondingen oplopen; ook kan zo’n vlamboog brand veroorzaken.

Als je niet elektrotechnisch deskundig bent wordt je een leek genoemd; dat betekent dat zo iemand niet mag werken aan of in de omgang met onder spanning staande elektrische installaties. Iemand die voldoende is geïnstrueerd door een vakbekwame persoon noemen we een Voldoende Onderricht Persoon. Hij is in staat om gevaren te voorkomen die door elektriciteit veroorzaakt kunnen worden. Hij mag daarom zorgvuldig omschreven werkzaamheden uitvoeren, indien hij daarvoor aantoonbaar instructie heeft ontvangen; daarbij moet hij wel onder regelmatig toezicht werken. Voor elektrotechnische werkzaamheden met meer diepgang zijn verdergaande bevoegdheden noodzakelijk; deze werkzaamheden kunnen alleen worden uitgevoerd door een vakbekwaam persoon.

Statische elektriciteit

Als je een voorwerp aanraakt en je voelt een schokje is dit statische elektriciteit. De definitie hiervan is: bij statische elektriciteit is de opbouw van elektrische spanning anders dan in reguliere elektriciteitssystemen.

Er zijn heel wat situaties waarin statische elektriciteit op kan treden:

  • wrijven over kunststof
  • wrijving door kleding over de huid
  • bij drijfriemen
  • bij sommige vloeistoffen bij stroming door kunststof leidingen of roeren in de vloeistof
  • bij verf spuiten
  • bij pneumatisch (via luchtdruk) transport van poeders en korrels, bijvoorbeeld in mengers, weegbunkers of tankauto’s
  • opstijgende damp- of gasbellen; zij veroorzaken turbulentie
  • lopen over een kunststof vloerbedekking

Het gevaar van statische elektriciteit is dat er bij ontlading vonkoverslag kan ontstaan. In een ruimte waar brandgevaarlijke gassen aanwezig zijn is dat natuurlijk heel gevaarlijk. Een ander gevaar is dat gevoelige elektronische apparatuur kapot kan gaan door statische ontlading.

De volgende maatregelen kun je nemen om het ontstaan van statische elektriciteit voorkomen:

  • pijpleidingen, apparatuur en tanks aarden
  • de valhoogte van een product in een opslagtank beperken
  • de stroomsnelheid te beperken
  • bij het aarden zoveel mogelijk aansluiten op het bestaande aardleidingnet
  • antistatisch schoeisel (schoenen, laarzen) en antistatische kleding dragen

5. Brandgevaar

In de inleiding hebben we al genoemd dat er in de bouw een verhoogd risico op brand is. Dit valt te verklaren door het feit dat op een bouwplaats vaak vuur of vonken voorkomen, bijvoorbeeld bij las- en slijpwerkzaamheden, maar ook bij werkzaamheden van dakdekkers. Daarnaast liggen vaak brandgevoelige, chemische stoffen op een bouwlocatie, zoals verfproducten. Wanneer bouwwerkzaamheden in de buurt van gevaarlijke stoffen plaatsvinden, bijvoorbeeld bij een chemische fabriek, kun je je voorstellen dat er extra explosiegevaar is.En door een explosie is er weer kans op instortgevaar. In het artikel hierna kun je lezen over een fatale brand die waarschijnlijk het kwalijke gevolg was van laswerkzaamheden:

Bij fatale brand op bouwproject Korea vallen 25 doden

SEOEL – Een brand in een in aanbouw zijnd koelhuis in Pusan in het zuiden van Zuid-Korea heeft vijfentwintig bouwvakkers het leven gekost. Tien personen raakten zwaar gewond, melden politie en brandweer. Volgens ooggetuigen volgde de brand op een explosie op de zesde of zevende verdieping. Toen de brand uitbrak, waren er ongeveer tweehonderd mensen aan het werk in het gebouw. De politie denkt dat de explosie en de brand het gevolg zijn van laswerkzaamheden in een ruimte die net was geschilderd. De verf-dampen zouden door de hitte zijn ontploft. (ANP)

Bron: Cobouw, 6-11-98

Wist je dat... als je olie of frituurvet blust met water dit een geweldige explosie/steekvlam veroorzaakt
Wist je dat

6. Vlampunt bij vloeistoffen

Het vlampunt van een brandbare stof is de laagste temperatuur waarbij een vloeistof zoveel ontvlambare damp ontwikkelt dat deze in de aanwezige lucht met een vonk kan worden aangestoken. Een damp of stof kan ontbranden of exploderen door een ontstekingsbron die ontstekingsenergie veroorzaakt. Meestal komt de ontstekingsenergie van een vonk die bijvoorbeeld vrij komt door lassen of via handgereedschap; de energie kan ook komen van de hoge temperatuur van een heet oppervlak. Om het brand- en explosiegevaar van vloeistoffen te kunnen bepalen worden ze in de volgende categorieën ingedeeld:

klasse

brandgevaar

vlampunt

K-3

brandbaar

> 55 ºC

K-2

ontvlambaar

> 21 ºC  en < 55 ºC

K-1

licht ontvlambaar

> 0 ºC en < 21 ºC

K-0

zeer licht ontvlambaar en kookpunt < 35 ºC

< 0 ºC

Brand- en explosiegevaar van vloeistoffen bij verschillende temperaturen

7. Explosiegevaar bij gassen en dampen

Voor explosieve dampen heeft men zogenaamde explosiegrenzen berekend. Met explosiegrenzen (ook wel ontploffingsgrenzen genoemd) worden de minimale en maximale hoeveelheid gas/damp in de lucht bedoeld waarbij een explosie mogelijk wordt. en de hoogste grens bedoeld, waarbij een explosie mogelijk is.

Met explosiegebied bedoelen we het gebied tussen de onderste en de bovenste explosiegrens. Explosies ontstaan meestal als er sprake is van een bepaalde mengverhouding tussen lucht en een brandbaar gas/brandbare damp. In veel gevallen is daarnaast een ontstekingsbron nodig (vonk, heet oppervlak). De brandbare stofwolken kunnen bestaan uit poeder (stofexplosie) of een gas. Bij gas kan dit zijn ontstaan door verdamping vanaf het oppervlak van een brandbare vloeistof met een vlampunt lager dan de omgevingslucht; dat betekent dat bij verbranding de vlam zichzelf kan voortplanten..

Sommige stoffen kunnen spontaan ontbranden, zonder dat daar een hulpmiddel (bijv. aansteker) bij wordt gebruikt. De laagste temperatuur waarbij dit gebeurt, noemen we de zelfontbrandingstemperatuur.

Man uit Tegelen komt om in exploderende auto

BRACHT – Een 43-jarige man uit het Limburgse Tegelen is gistermiddag in het Duitse grensplaatsje Bracht om het leven gekomen toen de auto waarin hij zat explodeerde. Vlak daarvoor was de auto in brand gevlogen. De explosie, waarbij het dak van het voertuig afvloog, is mogelijk veroorzaakt door een propaangasfles die in de auto werd gevonden. De politie onderzoekt of de man en zijn 61-jarige echtgenote de fles vlak daarvoor hadden gekocht op een vlooienmarkt. De vrouw overleefde de explosie. Terwijl haar man vast in de auto was gaan zitten haalde zij nog wat spulletjes op de markt.

Bron: Trouw, 11 dec 2006

C. Gascilinders

Gas kan zowel voorkomen in leidingen als in gascilinders. Er zijn verschillende soorten gascilinders; deze worden aangeduid met kleurcodering op de schouder van de fles (er zijn oude en nieuwe codes). Als je gebruik moet maken van een gasfles moet je controleren of de kleurcodering overeen komt met het etiket. Dit zijn de kleuren:

gas

kleur schouder

zuurstof

wit

stikstof

zwart

koolstofdioxide

grijs

lucht

licht groen

acetyleen

kastanje bruin

Bij de opslag van gascilinders moeten extra veiligheidsmaatregelen worden getroffen:

  • goed vastzetten
  • beschermen tegen weersinvloeden
  • batterijen met gasflessen niet op werkplek opslaan
  • de opslagruimte voldoende ventileren
  • nooit opslaan in de buurt van een kelder of put
  • zuurstofflessen gescheiden houden van flessen met brandbare gassen
  • zorg voor de juiste blusmiddelen in de buurt van de opslag