09. Fundering en casco

09. Fundering en casco

1. Inleiding

Voordat je een bouwput, kelder of tunnel graaft, een damwand aanbrengt of gaat heien, moet je weten waar de kabels en leidingen in de grond liggen. Wanneer je kabels of leidingen tegenkomt moet je die eerst verwijderen of verleggen. Schade aan kabels en leidingen heeft grote gevolgen, zowel maatschappelijk als financieel! Daarom is het noodzakelijk dat je zulke schade tijdens de hierboven genoemde werkzaamheden voorkomt.

In dit hoofdstuk bespreken we de veiligheid met betrekking tot funderings- en cascowerkzaamheden. Bij deze werkzaamheden worden veel graaf-, hei- en hijswerkzaamheden verricht. Hiervoor worden hijswerktuigen gebruikt; een aantal van deze werktuigen zullen in dit hoofdstuk aan de orde zal komen.

Riolering tussen funderingsbalken

2. Onveilige bouwfase

A. hoofdletsel

Bij ongeveer 10% van alle ongevallen in de bouw hebben werknemers hoofdletsel opgelopen. Met name tijdens de funderings- en ruwbouwwerkzaamheden komt relatief vaak hoofdletsel voor.

De oorzaken van hoofdletsel zijn meestal:

  • stoten van het hoofd
  • (om)vallende voorwerpen (bekisting)
  • een hijslast of hijshaak van een kraan komt tegen het hoofd

Het dragen van een helm is daarom noodzakelijk en zelfs verplicht tijdens hijswerkzaamheden. Een helm kan veel pijn voorkomen of op z’n minst verzachten. De klap wordt over een groter oppervlak verdeeld en opgevangen door nek- en rugspieren.

B. knelgevaar

Ander letsel wordt veroorzaakt door beknelling. Als je bekneld raakt zijn de gevolgen vaak zeer ernstig; een beklemming heeft namelijk meestal inwendige bloedingen tot gevolg.

3 juli: een 34-jarige werknemer van een wegen- en waterbouw-bedrijf uit Soest raakt bekneld als hij op een stellage staat tussen een silo en een betonbak. Hij valt; later overlijdt hij in het ziekenhuis.

13 augustus: een 45-jarige bouwvakker uit Erica overlijdt nadat de bekisting van een viaduct waaraan hij werkt instort.

De meest voorkomende situaties waarbij beknellingsgevaar bestaat zijn de volgende:

  • het monteren van prefab elementen
  • bouwputten en sleuven (talud)
  • betonstorten met de kubel
  • rijdende machines

De belangrijkste oorzaken van beklemming zijn:

  • slechte communicatie met de machinist
  • instabiele opslag van materialen
  • onvoldoende gestutte bouwputten en sleuven
  • rommelige bouwplaats

Hoe kun je beknelling voorkomen?

  • duidelijke afspraken (tekens) met de machinist
  • stabiele opslag van materialen
  • bouwputten en sleuven voldoende stutten (damwandbekisting)
  • taluds en grondkerende constructies dagelijks controleren
  • orde en netheid op de bouwplaats

C. vallen van hoogte

Van alle ongelukken met dodelijke afloop in de bouw heeft ongeveer 60% te maken met het vallen van hoogte! Op de volgende foto zie je een voorbeeld van een mogelijke val van ongeveer 12 meter. Aan de buitenzijde is de steiger volgens de voorschriften afgezet; ook de afzetting op het dak is aanwezig. Wat ontbreekt is dat aan de binnenzijde de steigervloer niet volledig is dichtgelegd. In hoofdstuk 10 gaan we verder in op de maatregelen die je kunt of moet nemen om vallen van hoogte te voorkomen.

Valgevaar

3. Funderingswerkzaamheden

In het vorige hoofdstuk over bouwplaatsinrichting is al besproken dat de grond vooraf moet worden onderzocht op verontreiniging en dergelijke.

3.1 Ontgraven

De werkvoorbereider of uitvoerder moet vooraf contact opnemen met Klic (Kabels en leidingen informatiecentrum) en met de opdrachtgever voor recente kabel- en leidingtekeningen. Tijdens de voorbereidende werkzaamheden moeten proefsleuven en voorsteekwerkzaamheden verricht worden om de juiste ligging van kabels en leidingen te bepalen. Kabel- en leidingschade brengt de veiligheid in gevaar, denk maar eens aan de gevolgen van een beschadiging aan een leiding met een spanning van 10 kV…

Vooraf moet een bodem- en funderingsonderzoek plaatsvinden, dat wil zeggen bodemonderzoek naar verontreinigingen in de grond en een funderingsonderzoek naar bepaling van grondslag en stabiliteit. Verder is het belangrijk dat eventuele aangrenzende bebouwing stevig genoeg is, zodat die niet gaat verzakken. Naar de draagkracht van de bodem kan funderingsonderzoek worden gedaan.

Zo niet!

Het ontgraven van de bouwput wordt mechanisch gedaan. Vooraf moet bepaald worden of stempelingen, damwanden of bekistingen noodzakelijk zijn. Als er meer dan 1 meter diep gegraven wordt moeten er extra maatregelen worden genomen. Als er voldoende werkruimte is kan dit een natuurlijk talud zijn. Dit natuurlijk talud is voor elke grondslag verschillend (klei, zand etc.). Aan alle zijden van de ontgraving moet een strook van 50 cm vrijgehouden worden. Als die strook breder is dan 80 cm moet die voorzien zijn van een goede overgang. Als de ontgraving dieper wordt dan zo’n 1,25 meter moeten er twee ladders of twee trappen worden gebruikt omdat er anders te diep gesprongen moet worden. Als de diepte van de bouwput meer is dan 2,5 meter moet een deugdelijke afzetting aangebracht worden zodat invallen wordt voorkomen. De afzetting (geen rood-wit lint!) moet 1 meter hoog zijn en zodanig uitgevoerd worden dat ook het gevaar van vallende voorwerpen in de put of sleuf voorkomt. Uitgegraven aarde moet op een veilige afstand bewaard worden. De beschoeiing moet men goed laten aanpassen bij de rand van de uitgraving. Een diepe uitgraving wordt beschouwd als een besloten ruimte! In de uitgraving mogen geen gascilinders aanwezig zijn.

De hoogte van het grondwater is een belangrijke factor bij ontgraven; als beneden het grondwaterpeil gegraven moet worden moeten er maatregelen genomen worden om het peil te verlagen. Meestal wordt gebruik gemaakt van bronnering; als dit niet wordt toegepast bestaat de kans op vollopen van de bouwput. Dit bemoeilijkt het werk en verhoogt het instortgevaar van de taluds, bijvoorbeeld door trillingen.

3.2 Damwand

Om grondwater en gronddruk tegen te houden wordt meestal gebruik gemaakt van een tijdelijke stalen damwand. Ook voor diepe ontgravingen wordt veelal gebruik gemaakt van damwanden (d.m.v. heien of intrillen).

Bij onvoldoende ruimte naast gebouwen of wegen wordt ook vaak gebruik gemaakt van een damwandconstructie, die dan het zogenaamde afkalven voorkomt.

Het aanbrengen van een betonnen damwand

Het aanpikpunt moet duidelijk op het damwandprofiel zijn aangegeven. Om de profielen in de grond te slaan/trillen moet het juiste gereedschap worden gebruikt (hei- of trilblok). Net als bij ontgravingen moet vooraf bodemonderzoek verricht worden naar verontreinigde grond en de aanwezigheid van kabels en leidingen. Deze werkzaamheden worden uitgevoerd door gespecialiseerde bedrijven.

3.3 Heipalen

Bij het aanbrengen van de fundering moeten vaak palen worden geheid. Op het moment dat de palen worden geheid kunnen er risicovolle situaties ontstaan. Bij het opbouwen van een heistelling moet je kijkers op afstand houden; ook moet je ervoor zorgen dat er binnen het valbereik geen andere bouwvakkers aan het werk zijn. Bij het gebruik van betonnen heipalen is het belangrijk de staalstrop (grommer) of ketting op de juiste plaats aan te brengen; dit voorkomt valgevaar (het uit de strop schieten van de paal).

Het heien van palen kan verschillende gevaarlijke situaties veroorzaken. Een aantal situaties:

  • lawaai en trillingen
  • breken of losschieten van de strop (grommer)
  • instabiliteit van de heimachine door grondslag of onvoldoende ondersteuning (schotten)
  • oliespatten
  • het onjuist hijsen van de paal of betonkubel

De machinist van een heistelling moet in het bezit zijn van een deskundigheidsbewijs; hiervoor moet een examen worden afgelegd. Bij heiwerkzaamheden zijn gehoorbescherming, een helm en veiligheidsschoenen of -laarzen met dikke zolen (in verband met trillingen) verplicht.

3.4 Mechanisch breken

Koppensnellen betekent de boven de grond uitstekende betonkop stuk hakken. Hierdoor wordt de wapening die in de paal zit zichtbaar. De wapening van de paal wordt opgenomen in de funderingsbalk en vormt zo één geheel.

Een graafmachine uitgerust met een hydraulische breekinstallatie breekt ook het beton van de kop van de heipaal. De oude manier (handmatig) wordt soms nog toegepast. Door gebruik te maken van een breekhamer, aangedreven door luchtdruk, wordt de wapening van de kop van de paal vrijgemaakt. Naast het dragen van de gebruikelijke PBM is ook het dragen van gehoor- en adembescherming een must.

Een rupskraan, voorzien van koppensneller, breekt de betonkop.

3.5 Betonijzer vlechten

Bij betonijzervlechten gebruik je een wapeningbuigmachine. Dit apparaat heeft enorme kracht! Als je daar met je vingers tussenkomt… Het vlechten van ijzer is zwaar werk; een juiste werkhouding en goede kleding beperken rugklachten. Steeds vaker wordt wapening (bijvoorbeeld rolwapening) voor balken en kolommen kant en klaar vanaf de fabriek aangevoerd; op de bouw hoeven ze dan alleen maar op hun plaats te worden gehesen en aan elkaar worden bevestigd.

3.6 Bekisten en ontkisten

4. Hijsen en heffen

Het verticaal en horizontaal verplaatsen van een vrijhangende last noemt men hijsen. Gevaren zijn dat de last uit de kraan valt of dat de kraan omvalt; als dit gebeurt kan dit vergaande gevolgen hebben. Een algemene hijsregel is daarom: hijs nooit over personen! Dit betekent ook dat er niet over schaft- en uitvoerdersketen gehesen mag worden. Indien langs of vanaf de openbare weg gehesen moet worden, neem dan vooraf contact op met de politie en opdrachtgever. Breng een verkeersafzetting aan die voldoet aan de CROW publicatie 96A en 96B.

Heffen is het dragen van lasten, bijvoorbeeld met behulp van palletvorken die gemonteerd zijn aan heftrucks of die via snelkoppelsystemen aan grondverzetmachines kunnen worden bevestigd. Dit moet dan wel in de gebruiksinstructie vermeld staan! Ook moet de machine voorzien zijn van de benodigde wettelijke beveiligingen.

4.1 Hijskranen

Hijskranen zijn vaste of verrijdbare hijswerktuigen waarmee vrijhangende lasten worden verplaatst. Mobiele kranen mogen soms rijden met de last; dit mag alléén als de fabrikant dit toestaat in zijn voorwaarden. Die staan vermeld op de hijstabel die in het kraanboek aanwezig is. Deze voorwaarden gelden ook voor verreikers die uitgerust zijn als mobiele kraan. Hijskranen moeten voldoen aan de eisen van de Machinerichtlijn. Daarnaast moeten ze een CE-markering hebben. 

Een jaarlijkse veiligheidskeuring moet door een deskundige worden uitgevoerd; dit geldt voor alle soorten hijskranen. De keuringsgegevens moeten herkenbaar zijn aangebracht op het hijswerktuig. Daarnaast is er, afhankelijk van de categorie, sprake van een 2-, 3-, 4-, 5- of 10-jaarlijkse keuring. Toren- en mobiele kranen moeten 2 jaar na ingebruikname en vervolgens iedere twee jaar aan het 2-2-2 regime onderworpen worden. Een aangewezen keuringsinstelling moet de onderzoeken en beproeving uitvoeren; de regels hiervoor zijn vastgesteld door de overheid.

De volgende documenten zijn het bewijs van de keuring van hijskranen:

  • een kraanboek waarin de uitgevoerde keuringen, de reparaties en het onderhoud vermeld zijn
  • hijstabellen en hijsgrafieken (welk gewicht mag je over welke afstand verplaatsen)
  • certificaten (keuringscertificaten van lieren, takels, hijsmasten, extrakettingen, hijsjukken en ander hijsgereedschap)

De vakkennis van de kraanmachinist wordt met de volgende documenten aangetoond:

  • een registratieboekje; hierin staat met wat voor soort kranen de kraanmachinist ervaring heeft en hoelang
  • deskundigheidsbewijs, verplicht bij torenkranen, mobiele kranen en heistellingen met lastmoment vanaf 10 tonmeter

Deze documenten moeten dus in de kraan aanwezig zijn. Met de hijstabellen kan de kraanmachinist uitrekenen welke last hij maximaal nog veilig kan hijsen en bij welke windsnelheid dit nog kan (staat tevens in gebruikshandleiding). Er mag niet méér gehesen worden dan in de hijstabel is vermeld.

Onder veilig hijsen wordt het volgende verstaan:

  • het gebruik van het juiste, gekeurde hijsgereedschap
  • het regelmatig controleren van het hijsgereedschap, zowel door de kraanmachinist als door de aanpikker
  • een goede communicatie tussen de kraanmachinist en de aanpikker
  • rekening houden met de weersomstandigheden
  • een stabiele ondergrond, goede afstempeling
  • de toegelaten werkbelasting niet overschrijden
  • de last op de juiste wijze aanslaan
  • spreidhoek van de twee- of driesprong zo klein mogelijk houden

Om een kraan stevig te laten staan is een vaste ondergrond voor de stempels nodig. Voor een goede afstempeling moet gebruik worden gemaakt van schotten en eventueel rijplaten, zodat de gronddruk verlaagd wordt. Als een kraan kantelt zijn de gevolgen te raden… het is daarom in de meeste gevallen niet toegestaan om te rijden met een last. Soms mag er, onder strenge voorwaarden, worden gereden met de last; dit moet door de machinist worden getoetst aan de hand van de hijstabel.  Als de machinist zegt dat het niet kan, dan gebeurt het niet! De machinist bepaalt of het hijsen verantwoord kan of niet.

4.2 Mobiele en torenkranen

Om elementen te plaatsen wordt vaak gebruik gemaakt van een mobiele kraan. Hierbij is het belangrijk om vooraf goede afspraken te maken met de kraanmachinist. Naast het gebruik van armseinen is een portofoon een handig hulpmiddel wat helpt om onveilige situaties te voorkomen. Het dragen van een helm is tijdens hijswerkzaamheden verplicht. Niet alleen vallende voorwerpen, maar ook de haak van de kraan kan ernstig letsel veroorzaken.

Het is verboden om binnen het draaibereik van de kraan te komen; het gebied rondom de kraan is een gebied waar je grote kans loopt om bekneld te raken. Let hierbij ook op voorbijgangers; zij zijn zich vaak niet bewust van de gevaren die ze lopen. Beperk daarom hijsbewegingen boven de omgeving tot een minimum! Verricht de hijswerkzaamheden zoveel mogelijk binnen de afzettingen. Maak indien noodzakelijk afspraken over het al dan niet afzetten van wegen en het omleiden van wegen, voet- en fietspaden.

4.3 Hijsvoorzieningen

Bij veel prefab elementen van putten, liggers en wanden zijn door de fabrikant hijsvoorzieningen aangebracht. Soms worden er ook speciale hulpstukken bijgeleverd, zoals klemmen, jukken en evenaars (zie tekening links). Klemmen moeten voorzien zijn van een uitvalbeveiliging om ongewenst uitvallen van de last te voorkomen (bijv. een net, kettingen). Het is mogelijk om een samenstel (combinatie) van een aantal hijsgereedschappen te gebruiken; zo’n combinatie noem je achtereenvolgens een twee-, drie- of viersprong, afhankelijk van het aantal gebruikte kettingen. Deze kettingen worden aan een ring bevestigd. Soms wordt een hijsjuk (een soort evenaar) gebruikt om het gewicht evenredig over de kettingen te verdelen. Een hijsjuk wordt gebruikt bij het verplaatsen van een last met gecompliceerde afmetingen precies boven het zwaartepunt, bij weinig ruimte boven de last en bij het veelvuldig verplaatsen van gelijksoortige lasten. Omdat de kabels recht hangen is er geen kans dat ze over de last naar elkaar toeschuiven.

Bij het hijsen met een evenaar (stalen balk of pijp) worden meestal twee- of viersprong hijskettingen gebruikt. Een evenaar houdt een afstand tussen de hijspunten en zorgt voor een betere lastverdeling op het te hijsen object.

Gebruik je geen hijsjuk, dan moet je goed letten op de hoek waarin de kabels gespreid zijn. Deze tophoek mag maximaal 120 °C bedragen. Bij een hoek van 120 °C is de belasting van beide kabels net zo groot als het totale gewicht van de last. Zie ook de tekening.

Werken op hoogte is en blijft gevaarlijk. Het is moeilijk een veilige werkmethode te kiezen omdat bepaalde werkzaamheden nu eenmaal op hoogte moeten worden uitgevoerd. Een voorbeeld hiervan zie je op de – verwijderd 21-1-2021

De betonbalk op de foto heeft ingestorte hijsvoorzieningen, daar zijn de kettingen aan vastgemaakt. Als extra zekerheid is een strop om de betonbalk vastgemaakt. De twee bouwvakkers staan op een heel smal randje; als ze hun evenwicht verliezen vallen ze enkele meters naar beneden. Toch is het moeilijk om in deze situatie een veiligere werkmethode te kiezen. Tijdens het ontwerp en de werkvoorbereiding had men al rekening moeten houden met dit veiligheidsprobleem!

4.4 Staalkabels

Materieel wat wordt gebruikt om de werklast aan te bevestigen wordt hijsgereedschap genoemd. Bepalend voor de keuze van het te gebruiken hijsgereedschap zijn: afmeting en vorm van de last, afstand van de verplaatsing, gewicht, materiaal en soort verpakking van de last. Bij hijsgereedschap moet je denken aan staalkabels, kettingwerk en hijsbanden. We zullen deze hierna afzonderlijk bespreken.

Staalkabels zijn samengesteld uit een aantal strengen die rond een staal- of touwkern zijn geslagen; ze hebben zowel een grote treksterkte als een grote soepelheid. De treksterkte van een kabel wordt onder meer bepaald door:

  • de samenstelling van de kabel (bijv. 6 windingen, linksom, 36 draden)
  • de diameter van de (touw)kern (bijv. 16 mm)
  • de kwaliteit van de staaldraad (bijv. gegalvaniseerd)

 Let op: staalkabels kunnen roesten! De treksterkte van staalkabels neemt af bij een temperatuur boven 100 °C; dit is dan ook de maximum temperatuur waarbij staalkabels gebruikt mogen worden.

Je moet staalkabels goed onderhouden. Dit houdt in dat de smeerlaag en verontreiniging regelmatig verwijderd wordt, dat regelmatige inspecties op slijtage en roest plaatsvinden en dat staalkabels regelmatig worden ingesmeerd met zuurvrije olie of met vet. Ze worden opgeslagen in droge, goed geventileerde ruimten. Je mag ze niet knopen.

Staalkabels met gebroken draden, sterke roestvorming, beschadigingen en ernstige slijtage moeten worden afgekeurd en mogen niet worden  gebruikt! Je kunt afgekeurde hijsmaterialen het beste vernietigen.

4.5 Kettingwerk

Onder kettingwerk worden kettingen en de bijbehorende onderdelen (zoals schakels, haken, schalmen, wartels, ringen, sluitingen en oogbouten) verstaan. Kettingen worden gebruikt bij hijs- en transportwerkzaamheden. Kettingwerk mag alleen in de lengterichting belast worden.

Inspecteer het kettingwerk regelmatig (visueel). Controleer de geldigheidsdatum van de keuring. Belast een ketting alleen in de lengterichting van de schalm. Forceer het kettingwerk niet! Draai bouten en sluitingen helemaal aan; bescherm kettingen tegen scherpe hoeken van de last. Belast een haak nooit op de punt!          

Een hijsketting moet je goed gebruiken; er mogen geen slagen of knopen in zitten! Een ketting met uitgerekte of stijfgetrokken schalmen moet afgekeurd worden.

4.6 Takels

Een takel wordt gebruikt om lasten verticaal of horizontaal te verplaatsen in het geval het onmogelijk of niet efficiënt is een hijskraan in te zetten. In tegenstelling tot hijskranen hebben takels geen aandrijfmechanisme; ze worden met de hand bediend en moeten voor gebruik worden geïnspecteerd. Takels vormen eigenlijk een aparte categorie hijs-gereedschappen; ze zijn er in veel uitvoeringen, zoals handtakels (Weston) en kettingtakels. Een takel kan onder een te zware last bezwijken. Daarnaast kan de last uit de takel vallen en iemand verwonden. Tevens kan een onderdeel van de takel, of de punt waaraan de takel is bevestigd, breken. Om te voorkomen dat de takel overbelast raakt mag je nooit méér takelen dan de werkbelasting; de werkbelasting is het maximale gewicht wat de takel kan tillen. Deze maximale werkbelasting moet op de takel vermeld staan. Als een takel bediend wordt met een hendel mag deze nooit met een pijp worden verlengd! Ook mag de haak niet op de punt belast worden. Gebruik voldoende aanslagpunten. Takels moeten altijd vóór gebruik geïnspecteerd worden zodat je gebreken tijdig ziet. Als je gebreken ziet, breng de takel dan terug en meld het gebrek. Om te voorkomen dat er door verborgen gebreken ongelukken gebeuren moeten takels één keer per jaar visueel geïnspecteerd worden. Een takel moet je ook na aankoop of reparatie inspecteren. De ketting van de takel moet meestal éénmaal per 4 jaar getest worden (de zogenoemde kettingbeproeving); de fabrikant bepaalt de frequentie.

Bij het slepen van een last komt het vaak voor dat men de kabel of ketting zijdelings belast om extra trekkracht te verkrijgen; dit noemen we dan ook zijdelingse belasting.

Wist je dat… de trekkracht door het gewicht van de zijdelingse belasting (slepen) wel met 300% vermeerderd kan worden?
Wist je dat

4.7 Hijsbanden

Een hijsband kan worden vastgemaakt aan een kraanhaak. Het zijn meestal platgeweven banden van kunststofvezels of staaldraden. Ronde banden zijn eindloos! De hijsband kan door slijtage of scherpe lasten beschadigd zijn. Om de last zelf niet te beschadigen moet een hijsband tenminste 50 mm (rond) of 60 mm (plat) breed zijn. Aan hijsbanden kunnen metalen ogen zitten. Om te kunnen bepalen of de hijsbanden sterk genoeg zijn om de last te hijsen moet je op het aan de hijsband vastgenaaide label kijken; hierop staat de maximaal toegestane werkbelasting, het materiaal van de hijsband, de keuringsdatum en de keuringsinstantie aangegeven.

In de volgende situaties mogen hijsbanden niet meer gebruikt worden:

  • slijtage; meer dan 10% ter plaatse van de beschadiging
  • insnijdingen
  • beschadiging van de kanten (schuren, scheuren)
  • onvoldoende bescherming aan de binnenkant van de hijslus
  • inwerking van chemische stoffen
  • afgescheurd label

Hijsbanden dien je regelmatig op bovenstaande punten te controleren.

5. Cascobouw/ruwbouw

In deze paragraaf bespreken we de bouw van het casco, ook wel ruwbouw of het skelet genoemd; hiermee bedoelen we de vloeren en wanden van een gebouw. Dit kan worden uitgevoerd met behulp van kalkzandsteen blokken en plaatvloeren, of in het werk te storten beton. Ook is het mogelijk om het casco te bouwen met kant-en-klare elementen; deze elementen worden in de fabriek gemaakt. Er zijn verschillende soorten van: houten prefab elementen, prefab betonelementen, kanaalplaatvloeren en staalconstructies. Bij het storten van betonwanden kan gebruik worden gemaakt van wandkisten. De wandkist zelf heeft een groot eigen gewicht; als de kist scheef staat heeft dit tot gevolg dat de kist door z’n eigen gewicht kan omvallen. Een klein beetje wind (windkracht 4) duwt al met honderden kilo’s tegen het grote oppervlak van de kist; de stempels alleen houden dat niet! Ravage en kans op beknelling zijn dan het gevolg. Wandkisten moeten daarom altijd stevig worden verankerd. Tijdens het storten is het extra opletten geblazen!

Wandkist, let op de ladderopgang

5.1 Tunnelbekisting

Om wanden en vloeren in één keer te storten kan gebruik worden gemaakt van tunnelbekisting. Een tunnelkist is snel en veilig in gebruik, mits de veiligheidsvoorschriften in acht worden genomen. Het wordt met name toegepast bij woningen in seriebouw.

De randbeveiliging is er standaard op aangebracht (zie foto). Het lossen vergt vaardigheid van de kraanmachinist en een goede samenwerking met de ‘tunnelploeg’. De tunnelkist rolt over een soort rails en wordt gelijktijdig met een lier naar buiten getrokken en opgetild. Om het beton sneller hard te laten worden gebruik je gasbranders in de tunnel; deze moeten veilig op de gasinstallatie worden aangesloten. De tunnel moet goed worden afgesloten als de branders aan staan; niet alleen om de warmte binnen te houden, maar ook om te voorkomen dat onbevoegden de tunnel in gaan (denk aan spelende kinderen!).

Tunnelkist: voor en na het ontkisten

5.2 Prefab-elementen

Steeds meer houten en betonnen delen van de bouw worden geprefabriceerd, afgekort als ‘prefab’. Je kunt hierbij denken aan trappen, kelders en houten geraamten gevuld met isolatiemateriaal. Maar ook aan vloeren en gevelelementen bekleed met plaatmateriaal (zie foto hieronder). 

Het bouwen met prefab elementen heeft een aantal voordelen. Omdat de elementen in de fabriek in elkaar zijn gezet hoeft er op de bouwlocatie minder gewerkt te worden in weer en wind. Meestal is het bouwen met prefab elementen ook veiliger; er hoeven minder handelingen op hoogte uitgevoerd te worden. Toch kunnen er ook bij werk met prefab elementen ongelukken gebeuren. Een prefab element kan uit de kraan vallen doordat:

  • de hijsvoorziening losschiet (onvoldoende dekking beton, borgpen breekt)
  • het hijsoog uit de schroefhuls in de betonplaat schiet
  • het element blijft haken achter een reeds geplaatst element

De elementen moeten voor het lospikken goed geborgd of geschoord worden. Het gewicht van het element moet bekend zijn; hiermee kun je de vlucht van de kraan bepalen.

Het verdient de voorkeur om vloer- en randbeveiliging aan te brengen voordat de prefab elementen op hun plaats gehesen worden. Prefab trappen moet je direct voorzien van leuningen. Controleer vooraf de hijsogen en draadeinden op beschadigingen. Ook hier geldt: borg en schoor de elementen vóór het lossen. Goed overleg over de werkmethode met je collega’s en de kraanmachinist is van levensbelang!

5.3 Staalconstructies

Het bouwen met staal lijkt op Meccano; alle gaten zijn al voorgeboord in de fabriek. Op locatie moeten ze alleen nog aan elkaar worden gebouwd. Toch zijn er risico’s aan deze werkwijze verbonden:

  • het grootste gevaar: vallen van (grote) hoogte
  • het uit de kraan vallen van voorwerpen
  • het omvallen van een kraan of hoogwerker
  • knelgevaar tijdens het monteren

Om veilig te werken zijn er voor het bouwen met staal een aantal extra regels. Het is wenselijk om een montageplan te hebben; daarin staat de volgorde van het aanbrengen van de stalen onderdelen en ook wie de verantwoordelijke persoon is. Probeer van tevoren zoveel mogelijk op de grond in elkaar te zetten! Op die manier beperk je het werken op hoogte. De voordelen van een boutverbinding in plaats van lassen zijn dat je minder last hebt van regen en wind en dat het beschadiging van conserveringsmiddelen zoals verzinken, verf en coatings voorkomt; ook vergen de boutverbindingen een kortere montagetijd.

Vaak vindt het werken op hoogte plaats vanuit een hoogwerker. Het is raadzaam om je met een leeflijn vast te klikken aan de bak. Bij het werken op de staalconstructie is het verplicht een leeflijn toe te passen, tenzij er een vangnet onder hangt. Uiteraard moet dit net wel goed zijn opgehangen: strak gespannen en op goede hoogte.

6. Trapgaten en liftschachten

Trapgaten en liftschachten kunnen gevaar opleveren. Als je in of boven een trapgat moet werken is het nodig om extra voorzieningen te treffen. Zo kun je het trapgat dichtleggen of leuningen/hekwerken plaatsen. Vooral liftschachten moeten goed worden afgezet; vrijwel elk jaar vindt er in Nederland een dodelijk ongeval plaats doordat iemand in een trapgat of liftschacht valt.