10. Dak – en gevelwerk

10. Dak – en gevelwerk

1. Inleiding

Dak en gevels maken een cascogebouw wind- en waterdicht. Daar gaat dit hoofdstuk over, het sluiten van gevels en daken (ook wel ruwe afbouw genoemd). Bij deze werkzaamheden is vallen van hoogte één van de grootste gevaren! Met hoogte bedoelen we een werkhoogte boven de 2,5 meter; boven deze hoogte is het aanbrengen van valbeveiliging wettelijk verplicht. Welke valbeveiliging nodig is en hoe deze aangebracht dient te worden, is afhankelijk van de situatie.

Niet alleen bij nieuwbouw komen deze werkzaamheden voor; na een aantal jaren moeten namelijk onderhouds- of renovatiewerkzaamheden worden uitgevoerd. Het verkeerd gebruik van materieel vormt daarbij een extra risico, denk maar aan een ladder of rolsteiger die niet stabiel is neergezet. In dit hoofdstuk zal ook het materieel wat bij het werken op hoogte veel gebruikt wordt aan de orde komen.

Regels over veiligheid op het dak al heel oud zijn? Zo’n 4000 jaar geleden werd de volgende tekst al opgenomen in de Bijbel: “Wanneer u een nieuw huis bouwt, moet u op uw dak een borstwering maken, zodat u geen bloedschuld op uw huis laadt, wanneer iemand eraf valt.” (Bron: Deuteronomium 22:8, Herziene Statenvertaling).

2. Hulpmiddelen bij werken op hoogte

De meeste dodelijke ongevallen in de bouw hebben te maken met werkzaamheden op hoogte. Je zou kunnen vermoeden dat het grootste gevaar bestaat uit het vallen door sparingen; dit blijkt niet zo te zijn. Uit onderzoek is gebleken dat er 2,5 keer zo vaak iemand van hoogte valt dan dat iemand door een sparing tuimelt. Randbeveiliging is daarom van levensbelang! Daarnaast is er het gevaar van vallende voorwerpen.

Als het niet mogelijk is om een dakrandbeveiliging aan te brengen moet je een harnasgordel gebruiken (zie de foto hiernaast).

Denk hierbij wel om de lengte van de vallijn en de eventuele lengte van de valdemper! De verschillende soorten valbescherming zijn reeds in hoofdstuk 5 behandeld. In de volgende paragraaf bespreken we randbeveiligingen.

2.1 Randbeveiliging

Randbeveiliging heeft een belangrijke functie; het voorkomt een val van hoogte. Randbeveiliging moet minimaal een volwassen persoon kunnen tegenhouden. Daarom is afzetting van een groot hoogteverschil met rood-wit lint verboden! Het biedt geen fysieke afscherming. Algemene regel is dat werkplekken met een valhoogte groter dan 2,5 meter moeten zijn voorzien van hekwerk of leuningen van minstens 1 meter hoog, met een tussenleuning en een  kantplank. Bij het werken op platte daken gelden de volgende regels:

  • daken met een valhoogte van meer dan 2,5 meter moeten zijn voorzien van hekwerk of leuningen van minstens 1 meter hoog, een tussenleuning en een kantplank
  • als je op 4 meter afstand van de dakrand werkt is het toegestaan een rood-wit lint of een bestaand daktegelpad te gebruiken als markering
  • werk je altijd minstens 2 meter vanuit de dakrand, dan is een enkele leuning van 1 meter hoogte voldoende als afbakening
  • Aan weerszijden van de toegang tot het dak en aan weerszijden van de plaats van aan- en afvoer van materiaal moet de dakrand over een lengte van 4 meter zijn voorzien van leuning/hekwerk

Extra regels gelden als het werken op hoogte grenst aan water, langs uitstekende delen, in de buurt van elektriciteit en bij gevaar van vallen op voorwerpen of in stekeinden. Dan moet er altijd een hekwerk worden geplaatst, ook al is het hoogteverschil kleiner dan 2,5 meter.

De figuur hiernaast laat zien hoever je vanaf de gevel valt bij een bepaalde hoogte.

2.2 Vangnettten

Vloersparingen moeten, ongeacht de hoogte, worden dichtgelegd om invalgevaar te voorkomen en te voorkomen dat je getroffen wordt door iets wat er doorheen valt. Zorg ervoor dat bij het afdekken van vloersparingen de afdekking voldoende geborgd is, zodat meenemen of wegglijden niet mogelijk is. Breng zo nodig leuningen of hekwerk aan! Als beveiliging niet mogelijk is, markeer dan het gevaar en bemoeilijk de benadering. Als je op een dak met veel daksparingen moet werken kun je beter vangnetten gebruiken. Vangnetten kun je onder een dakvlak aanbrengen; de bevestigingspunten moeten wel voldoende stevig zijn. Het bevestigen doe je bij voorkeur vanuit een hoogwerker. Het vangnet moet een bepaalde voorspanning hebben, zodat je bij een val in een vrijhangend net komt en geen obstakels raakt. Het net moet regelmatig gecontroleerd worden op beschadiging en ophanging.

je een daksparing nooit alleen met een zeil mag afdekken?

Ook wandopeningen moeten afgedekt worden om te voorkomen dat men er doorheen valt of dat men getroffen wordt door iets wat er doorheen valt. Dek het af met draagkrachtig materiaal dat verbonden is met de ondergrond! Breng zo nodig leuningen of hekwerk aan. Als beveiligen niet mogelijk is, markeer dan het gevaar en bemoeilijk de benadering.

3. Dakwerkzaamheden

Zoals eerder besproken is valbeveiliging wettelijk verplicht als het valgevaar groter is dan 2,5 meter. Omdat bijna alle daken hoger zijn dan 2,5 meter behandelen we hieronder enkele dakwerkzaamheden en de valbeschermende maatregelen die je moet treffen.

3.1 Timmerwerk

Op daken moet veelal timmerwerk worden verricht aan lichtkoepels en lichtstraten. Het beste kun je de daksparingen dichtmaken via de onderzijde, bijvoorbeeld met onderstempeld plaatmateriaal of met een vangnet; deze valbeveiliging zit niemand die op het dak werkt in de weg. Ook voorkom je hiermee dat iemand onder de daksparing geraakt wordt door een vallend voorwerp. Behalve het risico te vallen in daksparingen bestaat ook het risico ván het dak te vallen; in paragraaf 2.1 over randbeveiligingen hebben we de maatregelen om dit risico te vermijden reeds besproken.

3.2 Afschot- en isolatielaag

Als je op een dak een afschotlaag aan moet brengen kun je dit doen met behulp van een zandcement dekvloer. De beste manier is het zandcement omhoog pompen. Zorg altijd voor een goede dakrandbeveiliging of steiger! Een eenvoudigere manier om een afschotlaag aan te brengen, is gebruik maken van isolatieplaten. Deze platen zijn licht van gewicht. Dit heeft als voordeel dat je ze makkelijk kunt tillen. Daarnaast zijn ze ook eenvoudig pas te maken. Let op: bij het zagen komen fijne kunststofdeeltjes vrij die bij inademing schadelijk zijn. Het is daarom beter om isolatieplaten te snijden met een scherp mes. Het nadeel van isolatieplaten is dat ze vanwege het lichte gewicht weg kunnen waaien. Dit geeft milieuvervuiling; een stuk van zo’n plaat verteert niet snel. Een ander risico van wegwaaien is dat de platen op de openbare weg terecht kunnen komen; met een ongeluk tot gevolg. Om wegwaaien te voorkomen, moeten isolatieplaten worden vastgezet en geballast.

3.3 Stalen dakplaten

Stalen dakplaten komen meestal direct op de staalconstructie te liggen. Het monteren van stalen dakplaten is risicovol vanwege het valgevaar; in het ontwerp van de staalconstructie moeten voorzieningen worden opgenomen om leuningen te kunnen plaatsen. Als de valhoogte groter is dan 4 meter moeten vangnetten onder de te leggen dakplaten zijn aangebracht, bijvoorbeeld met hoogwerkers. Deze worden verderop in dit hoofdstuk besproken.

3.4 Dakbedekking

Tijdens het aanbrengen van dakbedekking zijn er meer risico’s dan het risico van valgevaar vanaf daken. Enkele risico’s zullen we nu behandelen. Op het dak vang je veel wind; winddichte kleding is daarom belangrijk. Werkkleding van nylon is minder geschikt omdat dit niet bestand is tegen de hitte van de brander; het gaat smelten. Voor het aanbrengen van bitumineuze dakbedekking zijn speciale veiligheidsschoenen verkrijgbaar met warmtewerende zolen; deze zijn herkenbaar aan de letter ‘w’ achter het keurmerk.

De dampen die bij het branden van de dakrollen vrijkomen zijn meestal ongezond; werk daarom zoveel mogelijk van de wind áf. Vooral teerhoudende producten veroorzaken schadelijke dampen!

Bitumineuze dakbedekking

Vanwege het grote gewicht is het wenselijk dat de dakbedekking machinaal op het dak wordt aangevoerd. Verdeel rollen dakbedekking over het dakvlak; een dak is meestal niet berekend op een enorm gewicht op één plaats. Tijdens het aanbrengen van dakbedekking is brandgevaar aanwezig; zorg er daarom voor dat je niet meer dan een dagvoorraad gas op het dak hebt staan. Tijdens de werkzaamheden moeten goedgekeurde brandblussers aanwezig zijn. Ook moet je vanwege het brandgevaar altijd zorgen voor een tweede vluchtroute. Je dient een uur na het laatste brandwerk te controleren of er niets smeult, rookt of brandt.

3.5 Schuine daken

Op schuine daken bestaat het risico dat je van het dak afrolt; de snelheid waarmee je dan rolt is afhankelijk van de hellingshoek en de lengte van het dakvlak. Gebruik loopplanken wanneer de bedekking van het dak niet sterk genoeg is om je op het hellend vlak te verplaatsen. Om het dak te beveiligen kan een leuningvoorziening aangebracht worden ter hoogte van de goot. Vangnetten moeten opgehangen worden aan de randen van een hellend dak en wanneer er grote openingen in het dak zitten. Onder bepaalde voorwaarden kan er ook een steiger worden gebruikt als valbescherming. Wanneer het aanbrengen van leuningen of het gebruik van een steiger als valbescherming niet mogelijk is moet je een harnasgordel dragen die je aan een vast punt bevestigt.

Als je in de woningbouw veel op schuine daken werkt, is het belangrijk om soepele schoenen te dragen. Dit betekent dat schoenen met een stalen zool minder geschikt zijn. Bij een stalen zool kan de zool bij de neus niet zo goed knikken. Een ander belangrijk punt is dat de zool van de schoenen goed geprofileerd moet zijn. Dit voorkomt uitglijden.

4. Hulpmiddelen voor gevel

In de vorige paragraaf heb je gelezen dat onveilige trappen, ladders en steigers vaak de oorzaak zijn van ernstige ongevallen. Er zijn verschillende soorten steigers. In dit hoofdstuk worden de volgende steigers besproken: stalen steigers, hefsteigers, verplaatsbare hangsteigers, rolsteigers en hoogwerkers. Gebruik altijd een gordel bij het reiken buiten je beveiligde werkplek!  Ander materieel wat in deze fase van bouwen gebruikt kan worden zijn mobiele kranen en eventueel werkbakken voor personen.

4.1 Stalen steigers

Een ladder is een beperkt hulpmiddel om mee te werken in de bouw; een steiger is daar beter geschikt voor. Maar ook op een steiger loop je risico’s! Alleen hiervoor opgeleide/geïnstrueerde mensen mogen op een steiger werken.

Verankering van een steiger

De grootste risico’s zijn:

  • de steiger stort in of valt om door overbelasting, onjuiste constructie of onvoldoende verankering
  • instabiliteit door gegraaf onder de steiger
  • onstabiele ondergrond, onvoldoende onderstopping (hout)
  • getroffen worden door vallende voorwerpen
  • vallen van hoogte

Het opbouwen, wijzigen en afbreken van een steiger moet onder toezicht van een deskundige plaatsvinden. Een deskundige is iemand die in het bezit is van het certificaat ‘Steigerbouwer B’ of “Toezichthouder Steigerbouw”. Het is aan te bevelen voor steigerbouw gebruik te maken van een gespecialiseerd en geaccrediteerd bedrijf (onderaannemer). De stabiliteitsberekening en instructies voor op- of ombouw moeten beschikbaar zijn.

Ook in de volgende situaties moet een deskundig persoon de steiger controleren en toezicht houden:

  • de eerste ingebruikname van de steiger
  • bij aanpassingen zoals verhoging, verplaatsing of bij het uitbouwen van een steiger
  • na opbouw eenmaal per 3 maanden
  • na extreme weersomstandigheden, bijvoorbeeld storm

In de volgende paragrafen worden verschillende steigers opgesomd. Aan de steigers die in dit hoofdstuk worden genoemd mogen geen hijswerktuigen worden bevestigd; de constructie van de steiger is hier niet op berekend. Wanneer een hijswerktuig door omstandigheden op of aan een steiger moet worden bevestigd is er sprake van een bijzondere steiger (berekening).

Aan een goedgekeurde steiger moet altijd een steigerkaart hangen; als dit niet het geval is mag je de steiger niet betreden! Wanneer de steigerkaart rood is betekent dit dat de steiger niet gereed is; als de steigerkaart groen is mag je de steiger betreden. Tevens staat op de steigerkaart wat de maximale werkbelasting van de steiger is. Overschrijd dit maximum niet! Bij verschillende systeemsteigers is ook de belasting per werkvloer vermeld. Daarnaast geeft de steigerkaart aan of de steiger is gekeurd en tot wanneer de keuring geldig is.

Voorbeeld van een steigerkaart

De werkvloeren van een steiger moeten van steigerdelen of steigerschotten zijn gemaakt. Let op dat de steigerdelen vlak liggen; dit voorkomt struikelen. Een steigerdeel moet voldoende ondersteund zijn door middel van kortelingen. De afstand tussen de kortelingen wordt bepaald door de steigerbelasting (KN/m2). Als een steigerdeel niet aan twee kanten wordt ondersteund werkt het als een wip, en val je.

Om struikel- en valgevaar te voorkomen moeten de werkvloeren schoon en goed begaanbaar zijn. Om eventueel vallend materiaal of gereedschap tegen te houden moet rondom de werkvloer een schop- of kantplank zitten. Laat geen materiaal of gereedschap achter op de vloer van de steiger!

Een dubbele leuning is nodig in verband met valgevaar. De ruimte tussen de bovenste en de tussenleuning mag nooit meer dan 50 cm zijn, anders kan er alsnog iemand tussendoor vallen! Een kantplank moet minimaal 15 cm hoog zijn.

Op de werkvloer van de steiger mogen geen hulpsteigers worden geplaatst die hoger zijn dan 0,50 meter; hiermee bedoelen we bijvoorbeeld een zaagbankje of trap. Wanneer dit niet hoog genoeg is moet de steiger worden voorzien van een extra leuning op 1,50 meter. Deze regel geldt ook voor het werken op galerijen.

Steigers moeten stabiel zijn opgesteld. Enkele dingen kun je hierbij zelf controleren:

  • de onderstopping. Een steiger mag nooit op losse stenen staan! Onder de staanders moet een houten opvulling liggen, bijvoorbeeld baddingen of steigerdelen. Graafwerkzaamheden onder of vlakbij steiger, bijvoorbeeld bij kabelleggen, moeten vermeden worden (instabiele ondergrond)
  • de verankering. De staanders van de steiger moeten goed zijn verankerd (ongeveer 1 verankering per 20 m2)
  • diagonalen zorgen voor stabiliteit in de steiger
Gebruik geen hulpmiddelen die boven de leuning uitsteken!

Een stalen steiger moet aan de volgende voorwaarden voldoen: verankering: dit voorkomt omvallen en knikken van de staanders

  • stevige vloeren (let op bij pakken met stenen; onderhoudssteigers zijn vaak lichter uitgevoerd!)
  • een leuning op 1 meter boven de werkvloer, een tussenleuning en een kantplank van minimaal 15 cm hoog
  • de steiger mag maximaal 10 cm van de wand staan
  • er mogen geen hulpmiddelen worden gebruikt die hoger zijn dan 0,5 meter

Extra regels

Een extra regel geldt als een steigervloer hoger ligt dan 6 meter. Dan is, om een mogelijke val te breken, een schrikvloer verplicht. De schrikvloer moet maximaal 2,5 meter onder de steigervloer worden aangebracht en helemaal worden dichtgelegd. Als een steiger langere tijd wordt gebruikt (langer dan ca. 3 weken) moet hij worden geaard. De gevolgen van onder stroom komen te staan zijn natuurlijk groter op een stalen steiger! Het gereedschap wat je gebruikt moet dubbel geïsoleerd zijn. Je moet daarbij zo veel mogelijk voorkomen dat kabels langs en over de steiger lopen. Bij onweer moet je de steiger verlaten; een steiger kan namelijk als bliksemafleider werken. Een programma van eisen is nodig waarin het aantal werkvloeren, de bereikbaarheid, de verankering en dergelijke vermeld worden.

4.2 Hefsteigers

In de bouw wordt vaak gebruik gemaakt van hefsteigers. Het voordeel hiervan is dat je op elke gewenste hoogte kunt stoppen; dit komt de werkhouding ten goede. Ook met hefsteigers loop je risico’s; hierbij kun je denken aan:

  • vallen van een onvoldoende beveiligd werkplatform
  • omvallen door overbelasting
  • beklemming van ledematen door onvoldoende vrije ruimte
  • elektrocutie door ondeugdelijke elektrische voorzieningen

4.3 Verplaatsbare hangsteigers/hangbruginstallatie (HBI)

Hiermee worden niet de hangsteigers bedoeld die glazenwassers gebruiken, maar ze lijken er wel enigszins op. Sommige plaatsen kun je met een stalen steiger of een hoogwerker niet bereiken. Voorbeelden hiervan zijn het werken boven water of boven een glazen dak. In zulke gevallen kan het zijn dat een hangsteiger of Fhangbruginstallatie wordt ingezet.

De risico’s die je loopt bij het werken met een hangsteiger zijn dezelfde als bij een stalen steiger:

  • het getroffen worden door vallende voorwerpen
  • valgevaar

Voor het gebruik van een hangsteiger gelden meer eisen dan voor stalen steigers. Een hangsteiger mag je gebruiken tot windkracht 6; als de windkracht sterker is dan 6 ben je verplicht om de werkzaamheden vanaf een hangsteiger te stoppen.

Het is raadzaam om voor het gebruik de handleiding te lezen of een instructie te vragen aan de uitvoerder. Controleer altijd, voordat je in de bak stapt, of de ophanging in orde is! In- en uitstappen doe je op de begane grond. Bij hangsteigers bestaat het gevaar eruit te vallen, denk maar aan het artikel aan het begin van dit hoofdstuk. Reik daarom nooit verder buiten de bak dan je armen lang zijn! Personen in de hangsteiger moeten een harnasgordel dragen die gehaakt is aan een speciaal bevestigingspunt.  

Controleer de ophanging

Ook gereedschap kan uit de hangsteiger vallen; het is dus noodzakelijk om de grond onder de hangsteiger af te zetten. Je kunt dit doen met hekken of met rood-wit lint. Om contact met de begane grond te houden moet op bouwwerken hoger dan 25 meter een portofoon of mobiele telefoon aanwezig zijn; dit is ook het geval bij geen of beperkt oogcontact tussen de bediener en de personen in de hangsteiger. Een hangsteiger is géén bouwlift en mag dus ook niet worden gebruikt om materiaal te verplaatsen. Gebeurt dat wel, dan is er een groot gevaar voor overbelasting! De maximale werklast van de hangsteiger staat erop aangegeven. De werkbelasting mag je nooit overschrijden. In het geval van een storing moet je de steiger verlaten. Laat een steiger niet gebruiksklaar en onbeheerd achter; hiermee voorkom je dat onbevoegden de hangsteiger gaan gebruiken.

4.4 Rolsteigers

Om een gebouw helemaal in de steigers te zetten is veel tijd en geld nodig. Een goedkopere manier van werken – aantrekkelijker voor opdrachtgevers – is het gebruik van een rolsteiger. Doordat een rolsteiger van aluminium is gemaakt is hij gemakkelijk te verplaatsen. Een nadeel van het geringe gewicht is dat de steiger minder stabiel is; daarom worden basisverbreders, stabilisatoren of ballast gebruikt.

Bij rolsteigers zijn een aantal veiligheidsrisico’s op te noemen:

  • vallen van de werkvloer of door het klimluik
  • vallen bij het beklimmen of afdalen
  • bezwijken van de steiger door overbelasting of gebreken
  • omvallen of in een vloersparing rijden

Een rolsteiger moet je aan de binnenkant beklimmen, mits de sporten voorzien zijn van antislip. Net als een stalen steiger moet een rolsteiger voorzien zijn van kantplanken en leuningen. Ga niet op de schoren staan! Gereedschap en materiaal moeten met een touw naar boven gehesen worden. Zorg ervoor dat de werkvloer opgeruimd blijft.

Het is belangrijk om, voor het naar boven klimmen, te controleren of de wielen geblokkeerd zijn. Een rolsteiger mag alleen verreden worden als er niemand op de steiger is! Dit is vooral vanwege  kantelgevaar. Stabilisatoren zonder wieltjes moeten bij het verrijden zo laag mogelijk bij de grond blijven, stabilisatoren met wieltjes moeten óp de grond blijven. Als de ondergrond niet vlak en hard is kun je gebruik maken van rails of planken. In de buurt van een elektriciteitsleiding moet je extra goed opletten. Bij gebruik van een rolsteiger bij bovengrondse elektrische leidingen moet er voldoende afstand worden gehouden; de afstand is afhankelijk van het type leiding en de spanning. Zorg er tevens voor dat de steunen en uithouders niet kunnen verschuiven tijdens het verplaatsen. 

4.5 Hoogwerkers

Hoogwerkers zijn verplaatsbare instrumenten en worden gebruikt om personen op hoogte te laten werken. Voorbeelden zijn een zelfrijdende hoogwerker, een hoogwerker op een aanhangwagen/vrachtwagen/ bestelauto en een schaarhoogwerker. Mobiele (verrijdbare) hoogwerkers kunnen uitgevoerd zijn met wielen of rupsen. De keuze voor een bepaalde uitvoering houdt verband met de bereikbaarheid en de grondslag van het maaiveld. Op de bedieningsplaats moet een noodstop aanwezig zijn. Hoogwerkers kunnen alleen rijden als de steunen ingeschoven zijn, de arm naar beneden is en de bak in ‘neutraal’ staat; dit geldt alleen voor hoogwerkers met mechanisch bediende steunen. Met een hoogwerker mogen geen hijswerkzaamheden worden verricht! Daarnaast mogen ze niet als personenlift worden gebruikt. Aanwijzingen aan de bestuurder mogen slechts door één man worden gegeven.  Zowel de werkbak als de hefvlakken moeten zijn voorzien van geel-zwarte veiligheidssignalering.

Bij een schaarhoogwerker kan rondom de schaarconstructie een hek geplaatst zijn; dit hek is om te voorkomen dat iemand tussen de constructie bekneld raakt. Een vasthoudknop voor de laatste 1,5 meter is ook toegestaan. Een schaarhoogwerker kun alleen op en neer bewegen; je kunt zo’n apparaat gebruiken op plaatsen waar je moeilijk bij kunt komen.

Als je met een hoogwerker werkt, zijn er bepaalde risico’s:

  • de hoogwerker kan kantelen (ondergrond, steunen)
  • knelgevaar (tijdens bewegen)
  • beveiligingen werken niet (daarom voor gebruik testen)
  • elektrocutie
  • aanrijding
  • vallende voorwerpen van het platform
  • je kan uit het platform vallen.
Wist je dat… een hoogwerker verkeerd gebruikt wordt als hij dient als hijskraan of als personenlift?
Wist je dat

Specifieke regels

 Bij het werken op een hoogwerker moet je rekening houden met de volgende regels:

  • het is wenselijk om valbeveiliging te dragen die aan de bak is bevestigd; soms verplicht de opdrachtgever (petrochemie) dit
  • je moet ouder zijn dan 18 jaar en een instructie hebben ontvangen
  • je mag de hoogwerker alleen vanaf het hefvlak bedienen
  • de hoogwerker mag nooit in uitgeschoven positie onbeheerd worden achtergelaten, ook niet tijdens de schaft
  • als er kans op een aanrijding bestaat moet je gebruik maken van een deugdelijke afzetting (bijvoorbeeld hekken, schildjes of kegels)
  • je moet de stempels en uithouders op een vlakke en stabiele ondergrond zetten en de wielen blokkeren

De hoogwerker zélf moeten aan de volgende eisen voldoen:

  • een geldig keuringsbewijs
  • een zichtbare keuringssticker
  • een plaat met het maximum belastbaar gewicht
  • een gebruikershandleiding
  • duidelijke aanduidingen bij de bediening

Net als bij een rolsteiger geldt: gebruik de hoogwerker niet boven windkracht 6. Een extra regel wanneer je werkt boven de 25 meter is: gebruik dan een portofoon

4.6 Laders en trappen

Ladders en trappen moeten voldoen aan de norm voor draagbaar klimmaterieel. Onder draagbaar klimmaterieel verstaan we fabrieksmatig gemaakte ladders en trappen van hout, metaal of kunststof. Draagbaar klimmaterieel kan worden gebruikt tot een werkhoogte van 10 meter. In het vorige hoofdstuk kon je al lezen dat de keren dat de Inspectie SZW moest ingrijpen heel vaak te maken had met verkeerd laddergebruik. Hieronder volgen de meest voorkomende ladders en trappen:

Veilig werken met ladders

Sinds 1 juli 2006 mag je een ladder alleen gebruiken als het valrisico klein is en als de gebruiksduur kort is (< 4 uur) óf wanneer er geen veiliger middel mogelijk is. Dus beklimmen van een ladder blijft toegestaan; erop werken is beperkt tot het uitvoeren van lichte werkzaamheden.

In het algemeen:

  • een ladder wordt gebruikt wanneer de inzet van een steiger (stelling) of hoogwerker niet haalbaar is
  • stahoogte is lager dan 7,5 meter
  • statijd is minder dan 4 uur
  • reikwijdte is minder dan een armlengte
  • stel een ladder op in een hoek van 65º tot 75º ten opzichte van het horizontale vlak (dus de grond)
  • krachtuitoefening via handen is minder dan 100N (10kg)
  • plaats een ladder op een stabiele ondergrond met voldoende, vrije ruimte om de ladder heen
  • beklim een ladder altijd met je gezicht naar de ladder toe, houd met twee handen de ladder vast en houd altijd beide voeten op de sporten van de ladder
  • beklim een ladder nooit hoger dan de vierde sport van bovenaf
  • een ladder moet gecontroleerd worden voor gebruik. Voer nooit zelf reparaties uit aan een ladder maar laat dit door een deskundige doen
  • gebruik geen ladders als het harder waait dan windkracht 6
  • beveilig de ladder door middel van borging. Gebruik touw aan de bovenkant om wegzakken of uitglijden te voorkomen. Gebruik een stabiliteitsbalk aan de onderkant om zijdelings wegglijden te voorkomen
  • gebruik alleen goedgekeurde ladders en trappen; de ladder moet voorzien zijn van een keuringssticker
  • een deur of doorgang achter de ladder moet geblokkeerd worden
  • plaats metalen ladders op minimaal 2 meter afstand van onder spanning staande delen
  • zorg dat je drie contactpunten met de ladder hebt; dat wil zeggen: 2 voeten + 1 hand of 2 handen + 1 voet
Wist je dat… je een ladder heel eenvoudig in een hoek van 70 graden tegen een gevel kunt zetten? Je plaatst de ladder met de onderzijde gelijk met de voorkant van je voeten. De ladder houd je met gestrekte armen vast, en klaar is Kees.
Wist je dat

Bij het werken met ladders:

  • de ladder niet direct tegen een raam plaatsen; gebruik in dit geval een dwarssteun
  • de ladder en ladderschoenen moeten schoon blijven, anders kan het glad worden
  • bij meerdelige ladders mogen de verschillende delen niet kunnen bewegen en moet de ladder vastgezet worden. De overlappingslengte wordt door de fabrikant bepaald
  • laat een ladder nooit onbeheerd achtert
  • de toegang van de ladder moet vrij worden gehouden van obstakels
  • zorg dat de ladder minimaal één meter boven de vloer uitsteekt
  • het meenemen van materialen mag de houvast niet belemmeren

4.7 Werkbakken voor personen

Als je geen steiger of hoogwerker kunt gebruiken om op hoogte te werken mag je onder strikte voorwaarden een werkbak gebruiken. Zo’n werkbak hangt aan een  hijskraan; deze moet gekeurd zijn en er moet    een schriftelijk bewijs van de keuring aanwezig zijn. De werkbak mag alleen voor werkzaamheden gebruikt worden die grote spoed hebben of als andere methoden grotere veiligheidsrisico’s met zich mee brengen. Je mag hem niet vaker dan enkele malen per jaar gebruiken. Per keer mag je 4 uur gebruik maken van de werkbak. Je mag de werkbak alleen betreden en verlaten als de bak op de grond staat. Aan de buitenzijde bevat de werkbak informatie over de toelaatbare werklast, de eigen massa en het maximaal toelaatbare aantal personen.

Een werkbak mag niet worden ingezet om personen naar een hogere of lagere plek te brengen. Een werkbak wordt vaak opgehangen aan een viersprong. De kraanbestuurder en personen in de werkbak moeten elkaar kunnen zien; daarnaast moeten ze contact met elkaar hebben via een portofoon. De kraanbestuurder mag maar van één persoon tegelijk instructie ontvangen, om verwarring te voorkomen. Zolang er mensen in de werkbak zijn mag de kraanbestuurder de kraan niet verlaten. In de werkbak moet je een harnasgordel dragen die aan de werkbak bevestigd is. De werkzaamheden moeten worden gestaakt als het harder gaat waaien dan windkracht 6.

4.8 Bouwlift

Voor het verticale transport van materiaal wordt veelal gebruik gemaakt van bouwliften.

De meeste ongevallen die met bouwliften plaatsvinden zijn:

  • getroffen worden door vallend materiaal
  • beknelling (vingers, voeten en armen)
  • vallen van hoogte

De oorzaken van genoemde ongevallen zijn vaak één van de volgende:

  • onjuiste opstelling (te ver bij de werkvloer vandaan)
  • onvolledige opstelling (de sluitboom ontbreekt, onvoldoende verankerd)
  • slecht onderhoud van de lift
  • verkeerd gebruik (als personenlift)

Omdat de bouwlift veel gebruikt wordt en dit regelmatig ongevallen veroorzaakt moet zo’n lift aan een groot aantal voorwaarden voldoen.

Een aantal eisen voor een bouwlift zijn:

  • hij moet stabiel zijn opgesteld (ondergrond, hout-onderstopping)
  • op elke verdieping moet een sluitboom aanwezig zijn
  • de lift moet van een CE-keuring zijn voorzien en moet goedgekeurd zijn
  • de zone onder en onmiddellijk naast het platform moet zijn afgezet met hekken
  • de maximaal toelaatbare belasting van de lift moet duidelijk zichtbaar zijn                                        

Voor bouwliften die hoger gaan dan 21 meter gelden extra voorwaarden. Wil je  meer weten over de bouwlift? Zie dan de ‘controlelijst’ in de Abomafoon.   

4.9 Personenlift

Als een bouw een werkhoogte heeft van meer dan 15 meter, is volgens de bouw-cao een personenlift verplicht. Voor een personenlift gelden bijna dezelfde regels als voor een bouwlift: er moet alleen extra aandacht worden besteed aan de uitstapplaatsen. De vloer van de lift moet goed aansluiten op de vloeren van de stopplaatsen. Een personenlift dient twee keer per jaar te worden gekeurd, een bouwlift één keer per jaar. De halfjaarlijkse keuring staat los van de opstellingskeuring, die óók moet plaatsvinden.

5. Gevelwerk

Om een gebouw wind- en waterdicht te maken wordt een gevel geplaatst. Hiervoor zijn vele mogelijkheden te bedenken:

het traditionele metselwerk, maar prefab gevelelementen zijn ook mogelijk. De verschillende werkwijzen brengen andere risico’s met zich mee. We zullen de belangrijkste bespreken.

5.1 Metsel- en voegwerk

Metselen gebeurt meestal vanaf een steiger; hierbij moeten de stenen en de specie naar boven worden geopperd. Het gebruik van een verreiker of een bouwlift is hierbij noodzakelijk. Omdat een stalen steiger niet in hoogte verstelbaar is moet je vaak in slechte houdingen werken. Eén enkele steen lijkt niet zwaar, maar als je hele dag stenen verwerkt geeft dit een grote lichamelijke belasting; vooral de rug is kwetsbaar! De steiger moet goed aansluiten bij de gevel. Een speciemolen wordt vrijwel niet meer gebruikt, alleen nog bij kleine bouwwerken. Tegenwoordig wordt veel gebruik gemaakt van een mortelsilo; dit is een grote verbetering qua arbeids-omstandigheden. Als de metselaar zijn werk direct schoonmaakt met water hoeft de voeger later niet met schadelijke schoonmaakmiddelen te reinigen. Glas- en steenwol kunnen heel irriterend zijn voor je huid en longen; de deeltjes verteren namelijk niet in je longen. In Duitsland worden deze stoffen als kankerverwekkend aangetoond. Gebruik daarom minimaal een P2 filter!

5.2 Kozijnen en glas

Snijwonden komen regelmatig voor bij glaszetters; meestal komen deze voor aan handen, onderarmen, bovenbenen en voeten. Bij een snijwond moet je altijd naar een arts gaan om te controleren of er geen pezen of zenuwen zijn geraakt, of dat je bijvoorbeeld een tetanusprik moet krijgen.

Als je te maken krijgt met een snijwond moet je het volgende doen:

  • maak de wond schoon door hem onder de kraan te houden
  • gebruik geen jodium
  • bind de snijwond tijdelijk af
  • ga naar een EHBO-post bij kleine oppervlakkige wonden
  • ga naar een arts bij grotere of diepe snijwonden

Om snijden aan glas te voorkomen kun je maatregelen nemen:

  • vacuüm handvatten gebruiken
  • de beglazing in de timmerfabriek laten aanbrengen
  • je handen beschermen door snijvaste handschoenen en polsbescherming te dragen

Bij de tweede maatregel wordt het kozijn veel zwaarder en daardoor slecht hanteerbaar; plaatsen met mechanische hulpmiddelen is daarom noodzakelijk.

Eerder hebben we genoemd dat steigers maximaal 10 cm van de gevel mogen staan. Als je echter kozijnen of isolatieplaten moet plaatsen mag de steiger, afhankelijk van de locatie, tijdelijk maximaal 25 cm van de gevel staan. Hierbij moeten wel aanvullende maatregelen worden getroffen.

5.3 Stalen gevelbeplating

Net als bij het aanbrengen van stalen dakplaten loop je bij het aanbrengen van stalen gevelbeplating grote kans op snijwonden. Stalen gevelplaten moeten machinaal worden aangevoerd. Een goede methode om stalen gevelbeplating aan te brengen is werken vanaf een hefsteiger; hierbij kunnen de platen mee omhoog worden genomen en op de juiste hoogte worden gemonteerd.

5.4 Glasvliesgevel

In vergelijking met stalen gevelbeplating is een glasvliesgevel gevoelig voor breuk. Gebruik daarom de juiste hulpmiddelen: handschoenen, vacuüm gereedschap en bij voorkeur een mobiele kraan. Dit voorkomt veel loopwerk met het breekbare materiaal. Tijdens het plaatsen van het glas mogen geen mensen onder de werkplek komen. Meestal wordt het glas aangevoerd op een bok; deze moet stabiel zijn opgesteld.

Wist je dat… dubbel glas meestal meer dan 20 kg per m2 weegt?
Wist je dat