11. Bouwmaterieel

11. Bouwmaterieel

1.Inleiding

Als je met verschillende gereedschappen en machines werkt moet je je bewust zijn welke gevaren dit met zich mee kan brengen. Je kunt wel gebruik maken van een veilige machine, maar de wijze van gebruik en de omgeving waarin die gebruikt wordt spelen even grote rollen!

Om veilig met gereedschappen (arbeidsmiddelen) te kunnen werken moet je deskundig zijn. Bij speciaal gereedschap moet voorlichting en instructie gegeven worden; daarnaast moet er een instructiekaart voor de bediening aanwezig zijn. Ook is goed onderhoud erg belangrijk voor betrouwbaar en veilig gebruik van het gereedschap. Hiermee wordt de jaarlijkse verplichte veiligheidskeuringen bedoeld, maar ook het praktische dagelijkse onderhoud; de machines en gereedschappen moeten immers in goede staat zijn! Er dient een gebruikers- en onderhoudsvoorschrift aanwezig te zijn in de taal van het land waar hij gebruikt wordt. Machines en aangedreven gereedschap moeten bij onderhoudswerkzaamheden uitgeschakeld zijn.

In dit hoofdstuk behandelen we de kenmerken en gevaren van verschillende gereedschappen: handgereedschap, vaste machines en handgereedschap met aandrijving. Daarna komen materieelkeuring, werkhouding en ten slotte vervoer aan de orde.

2. De machinale werkplaats

In deze paragraaf worden vaste machines besproken. Dit zijn machines die op een vast opgestelde plaats staan en tegen schuiven, omvallen en dergelijke geborgd zijn door middel van functiebouten; voorbeelden zijn kolomboormachines, slijp- en zaagmachines. Ook vast opgestelde machines moeten jaarlijks gekeurd worden (volgens NEN 1050 en NEN 3140). Cirkelzaagmachines kunnen uitgerust zijn met geremde motoren. Elke machine moet uitgerust zijn met een goed bereikbare noodstop; deze is herkenbaar als rode knop. De noodstop moet na het indrukken blokkeren zodat er eerst een handeling (het ontgrendelen van de noodstop) verricht moet worden voordat de machine weer opgestart kan worden. Verder moet aandacht worden geschonken aan het geluidsniveau van de machines.

Orde, netheid en een goede bereikbaarheid van de machine (ruimte eromheen) zijn in een werkplaats heel belangrijk; rondzwervend materiaal kan ervoor zorgen dat je uitglijdt. Als je je in een reflex vast probeert te grijpen en je komt daarbij met je handen in een draaiende machine die niet goed is afgeschermd weet je wat de gevolgen kunnen zijn. Zorg er daarom voor dat de vloer rond machines en vast opgesteld gereedschap opgeruimd, schoon, vlak, droog en stroef is. Daarnaast moeten bewegende delen van de machine afgeschermd zijn. Als je alleen in een werkplaats werkt, is het goed dat je door middel van een signaal bij onveilige situaties collega’s (bijvoorbeeld op het kantoor)  kunt waarschuwen, zodat zij bij calamiteiten hulp kunnen bieden. Bij diverse werkplaatsen is ook een noodstop aangebracht bij de ingang(en) van de werkplaats. In verband met brandgevaar is het verboden om te roken in een machinale werkplaats.

Voor het bedienen van een machine moet er voldoende loop- en bewegingsruimte zijn. Er moeten PBM aanwezig zijn en deze moeten op de juiste manier gebruikt worden. Let daarnaast op de temperatuur van het werkstuk, zorg dat deze niet te hoog of te laag is! Neem een goede houding aan, gun je lichaam alléén gezonde belasting. Machines en aangedreven gereedschap mogen nooit draaien met een geopende aandrijving! Voorkom altijd dat een bediener van een machine wordt afgeleid. Voorkom ook dat je bekneld raakt of gegrepen/getroffen wordt door bewegende delen. Gevaarlijke zones moeten afgeschermd worden. Een ander gevaar is het aanraken van snijdende delen. Let op: machines kunnen lang uitlopen! Een maatregel hiertegen is een rem op de machine.

Een bediener van machines en aangedreven gereedschap moet aan de volgende eisen voldoen:

  • voldoende ervaring en opleiding
  • ouder zijn dan 18 jaar
  • geen loshangende kleding, sieraden of haren dragen
  • geen handschoenen dragen wanneer contact met roterende onderdelen mogelijk is en/of wanneer er gevaar is gegrepen te worden
  • de beveiliging niet overbruggen, onklaar maken/verwijderen
  • de plaats en functie van de noodstop kennen

2.1 Vast opgestelde slijpmachine

Het grootste risico bij vast opgestelde slijpmachines is dat de slijpsteen uit elkaar springt en dat hierdoor deeltjes van de slijpsteen in je oog kunnen springen. Dit kan gebeuren als het aantal omwentelingen (het toerental) van de slijpsteen of -schijf niet overeenkomt met het toerental van de slijpmachine. Ook de diameter van de schijf of steen speelt een grote rol. De leunspaan moet goed afgesteld staan ten opzichte van de steen, zodat bij het slijpen het werkstuk (beitel) niet beklemd raakt tussen steen en spaan. Een ander risico is dat het werkstuk tegen de slijpsteen klemt.

Daarnaast kunnen er verwondingen ontstaan door het aanraken van een draaiende slijpsteen. Ten slotte is het inademen van slijpstof een risico. De slijpmachine moet aan een aantal eisen voldoen. De slijpsteen moet voldoende rond zijn. De slijpkant van de steen moet vlak zijn. Als er twee slijpstenen op één machine zitten mogen de stenen niet teveel in grootte verschillen. De afstand tussen de leunspaan en de slijpsteen is maximaal 3 mm. De zijkanten van de slijpmachine moeten afgeschermd zijn. Op de slijpsteen dient oogbescherming (glaasjes boven de steen) aanwezig te zijn. Bij het werken met slijpmachines horen een aantal maatregelen. Het dragen van een veiligheidsbril is altijd verplicht. Tijdens het slijpen kan het geluidsniveau hoog zijn; het dragen van gehoorbescherming is dan verplicht. Het slijpen van gereedschappen op de zijkant van de steen is gevaarlijk in verband met beklemming en breuk. Alleen deskundig personeel mag de slijpstenen monteren of vervangen. De leunspaan moet regelmatig bijgesteld worden. De leunspaan mag alleen versteld worden als de slijpmachine stilstaat. Tenslotte moet het beschermruitje altijd gebruikt worden.

2.2 Zaagmachines

Het grootste gevaar bij een zaagmachine is dat het zaagblad kan vastlopen. Een spouwmes is nodig om te voorkomen dat het gezaagde hout het zaagblad afklemt en vastloopt of omhoog springt (handcirkelzaag). Let op de dikte van het spouwmes ten opzichte van het zaagblad!

De hulpgeleider zorgt ervoor dat het hout soepel glijdt tijdens het zagen. Een gevaar is dat men getroffen wordt door de zaag of andere bewegende delen; ook kun je getroffen worden door afgezaagde of wegvliegende delen van het product. Ten slotte kunnen er gezondheidsklachten ontstaan door het inademen van hinderlijke of schadelijke stoffen.

Voor het gemakkelijk en veilig doorvoeren van kleine of smalle werkstukken mag verder alleen een duwhout worden gebruikt; je mag hiervoor absolúút niet je handen gebruiken! Bij grote werkstukken moet een tweede persoon helpen of er moet een rollenbaan gebruikt worden. Zorg ervoor dat het zaagblad juist ingesteld is. Een noodstopschakelaar, die onder hand- of kniebereik zit en goed bereikbaar is, moet op de machine zijn aangebracht.

Cirkelzaagmachines maken behoorlijk veel lawaai; je moet dus gehoorbescherming gebruiken. Voor cirkelzaagmachines geldt bovendien dat ze een goede beschuttingskap moeten hebben, die bevestigd is aan een stevig statief. Daarnaast moet er één of meerdere aansluitingen voor een afzuiginstallatie aanwezig zijn; bij het zagen komt namelijk veel houtstof vrij. Tevens moet er een goed instelbare, geschikte hulpgeleider aanwezig zijn. Tenslotte moet er een spouwmessupport met een bij het zaagblad passend spouwmes aanwezig zijn.

Cementzakken mogen maar 25 kilo wegen; plaatmateriaal lijkt echter steeds zwaarder te worden! Ook zijn platen moeilijk te hanteren door hun afmeting. Omdat je niet altijd met z’n tweeën kunt zagen is een zogenoemde verticale platenzaagmachine een oplossing. Hierbij staat de plaat tegen de stellage van de machine; je zaagt door de zaag te bewegen in plaats van het hout. Ook hier is een goede stofafzuiging vereist!

De afkortzaag is eigenlijk een handcirkelzaag met vaste geleiding. Net als bij de platenzaag beweeg je de zaag. Bij de afkortzaag dient het zaagblad afgeschermd te zijn. Een andere machine om mee te zagen is de lintzaag.

Voor een steenzaagmachine geldt in het bijzonder dat er schadelijke kwartsstof vrij kan komen tijdens het zagen; nat zagen is daarom verplicht. Dit heeft twee voordelen: het zaagblad wordt gekoeld en de stofproductie wordt verlaagd.

2.3 De bouwcirkelzaagmachine

Let bij het gebruik van een bouwcirkelzaagmachine op dat de ruimte rondom de machine schoon, opgeruimd en goed bereikbaar is. Draag tijdens het zagen gehoorbescherming. Ruim het zaagafval op. Stof-  afzuiging is verplicht. Op de foto wordt de bouwcirkelzaagmachine gebruikt zonder afzuiging.

Zo dus niet!

Zonder afzuiging werken kan om de volgende redenen gevaarlijk zijn:

  • inademen van stofdeeltjes, kans op negatieve gevolgen
  • hogere kans op oogletsel
  • uitglijden over het zaagsel
  • struikelgevaar (losliggende kabels zijn onzichtbaar geworden)
  • slecht zicht op het werkstuk

Tijdens het zagen zijn er de volgende gevaren:

  • terugslag van het hout (de zaag staat te laag, een spouwmes of de hulpgeleider ontbreekt)
  • met je handen in aanraking komen met het zaagblad (geen schutkap of aanduwhoutje gebruikt)
  • het ontbreken van onderafscherming van het zaagblad waardoor je met je handen in aanraking kunt komen met het draaiende zaagblad
  • elektrocutie
  • het stukspringen van het zaagblad (als er scheuren in het blad zitten of er tanden uit de zaag ontbreken)

2.4 Schaven en frezen

Om hout te schaven zijn een aantal machines bruikbaar: de vlakbank, de vandiktebank en de vierzijdige machine; deze laatste machine is een combinatie van een vlak- en een vandiktebank. Net als bij de afkortzaag zijn ook hierbij de vingers het meest kwetsbaar. Als je bij de vlakbank teveel hout in één keer wilt schaven loop je kans dat het hout een terugslag geeft.

Bij de freesmachine moet de frees helemaal zijn afgeschermd. Hiervoor zitten een aantal beschermkappen op de freesmachine. Om te voorkomen dat het hout door de frees wordt weggeslagen, moeten de beschermkappen stevig worden aangedrukt.

2.5 Afzuiginstallatie

Bij het werken met houtbewerkingmachines komt veel stof vrij; dit geeft een verhoogde kans op brand- en explosiegevaar. In ruimtes waar kans op explosie bestaat mogen alleen explosieveilige machines worden gebruikt. Om te voorkomen dat de machine vastloopt moet het zaagsel worden afgevoerd. Een andere belangrijke taak van de afzuiginstallatie is om stof uit de werkplaats af te voeren. Sommige soorten houtstof verteren wel, maar toch is veel stof inademen niet gezond. Vanwege het geluid dat een afzuiginstallatie maakt is het sinds kort niet meer toegestaan dat de afzuiginstallatie in dezelfde ruimte staat als waar gewerkt wordt. De afzuiger moet in een aparte ruimte staan, in verband met geluid en fijne stofdeeltjes.

2.6 Vaste machines

Bij het werken met (kolom)boormachines horen gevaren; het werkstuk kan bijvoorbeeld losslaan. Daarnaast kunnen er verwondingen ontstaan door het breken van de boor en door het wegvegen van het boorsel met de hand. Tevens kunnen er verwondingen ontstaan door spanen en door het spatten van koel- of snijolie. Verwondingen kunnen worden voorkomen door het werkstuk goed vast te zetten. Het boorsel moet worden weggeveegd met een krullenkwast of krullenhaak. Een vereiste van een (kolom)boormachine is dat het een doorzichtig scherm tussen boor en gebruiker heeft.

2.7 Dodemansknop en noodstop

Verschillende machines hebben een dodemansknop; deze heeft als functie in geval van nood de machine zo snel mogelijk te doen stoppen. Als je het bedieningsmiddel loslaat stopt de machine of het gereedschap.

De noodstopinrichting moet goed bereikbaar zijn. Daarnaast moet hij duidelijk zichtbaar en herkenbaar zijn. Ten slotte kan na gebruik van de noodstop de installatie alleen opgestart worden met de normale opstartprocedure.

Een nullastschakelaar/nulspanningschakelaar zorgt ervoor dat de machine niet automatisch start als de spanning is weggevallen en daarna terug terugkomt.

Noodstop

3. Handgereedschappen

Onder handgereedschappen wordt gereedschap verstaan waar je alleen de kracht van je handen voor nodig hebt. Bij het gebruik van handgereedschap is goed onderhoud en juist gebruik verplicht. In de Arbowet is opgenomen dat de werkgever verplicht is goed en veilig gereedschap te verstrekken en toezicht te houden op goed gebruik; de werknemer is verplicht de staat waarin het gereedschap verkeert voortdurend te controleren. Daarnaast is de werknemer volgens de Arbowet verplicht op de juiste wijze van het gereedschap gebruik te maken. Gereedschap mag niet voor andere doelen worden gebruikt dan waar het voor bedoeld is. Voorkom altijd dat een bediener van handgereedschap wordt afgeleid!

A. schroevendraaier, beitel en mes

Het blad van een schroevendraaier moet op maat geslepen zijn voor de schroefsleuf en mag niet te smal zijn; je loopt anders kans op verwondingen, beschadigingen of uitschieters. Ga er niet aan slijpen, maar pak een andere als hij niet goed past. Zorg ervoor dat bij het gebruik van een schroevendraaier kleine werkstukken vastgeklemd worden.

Beitels kunnen vanwege hun scherpte ernstige verwondingen veroorzaken. Koudbeitels hebben geen bramen op de beitelkop. De koudbeitel moet voorzien zijn van handbescherming.

Bij het gebruik van een mes moet ervoor gezorgd worden dat het mes aangepast is aan het soort werk; ook moet het mes scherp zijn. Grote kans op snijwonden kun je oplopen bij het onjuiste gebruik van een ‘stanleymes’;  gebruik daarom altijd handschoenen als je zo’n mes gebruikt. Snij van het lichaam weg. Houd je vrije hand altijd achter het mes. Schuif het lemmet niet te ver uit. Als er een deel van het lemmet versleten is, breek dit deel dan af met een lemmetbreker of een tang. Of vervang het mes!

B. handzaag, tang en sleutel

Voor verschillende zaagwerkzaamheden zijn verschillende soorten zagen. Een zaag moet aangepast zijn aan het werk! Let op de schadelijke stofdeeltjes die vrijkomen bij het zagen van ijzer, perspex en lood. Een goede zaagbank voorkomt zagen in bijvoorbeeld je knie, een stoel of tafel; ook verklein je hiermee de kans op uitschieten. Let er daarnaast op dat je alleen goed geslepen, scherpe zaagbladen gebruikt.

Ring-, slag- en moersleutels mogen alleen op de juiste manier verlengd worden.  Gebruik bij voorkeur een ringsleutel in plaats van een steeksleutel. Ze moeten bovendien onbeschadigd zijn. De bek moet precies op de moer passen. Een slagsleutel moet een touwtje hebben.

Bij het gebruik van een tang moet je erop letten dat de bek en het scharnier gaaf en schoon zijn. Ook na uitschakelen van de stroom is het gebruik van een geïsoleerde tang bij het doorknippen van elektriciteitdraad gewenst.     

C. hamer en vijl

Hamers moeten een gladde en ongeschonden steel hebben die goed vast zit in de hamerkop. De hamerkop moet gaaf zijn; een braam aan de kop vergroot de kans op wegschieten tijdens het slaan. Het heft van de vijl dient stevig te zijn en moet goed vastzitten.

4. Handgereedschappen met aandrijving

In deze paragraaf worden elektrische en pneumatische handgereedschappen (met luchtdruk) besproken. Let op het happen van gereedschap! Voorkom altijd dat een bediener van aangedreven gereedschap wordt afgeleid. Let op of het gereedschap in een goede staat is. Voorkom bij het gebruik van machines en handgereedschap ontwrichting en kneuzingen van hand en pols door verkeerd gebruik.

4.1 Elektrisch handgereedschap

Met elektrisch handgereedschap bedoelen we de elektrische handcirkelzaag, handboormachine, haakse slijptol, decoupeerzaag, handschroefmachine en elektrische nietmachine. Als je één van deze gereedschappen gebruikt, maak dan gebruik van veilige spanning!

Een risico bij het gebruik van deze gereedschappen is elektrocutie. Een ander belangrijk risico is vonkoverslag als gevolg van kortsluiting; overslaande vonken kunnen in besloten ruimten zelfs explosieve mengsels ontsteken! Hierdoor kan brand of een explosie ontstaan. Door kortsluiting kan men brandwonden oplopen. Let ook op het gevaar van storing in de besturing of energiebron.

Elektrische handgereedschappen kunnen worden onderscheiden naar de manier waarop ze worden aangedreven:

  • gereedschappen die op 220 volt wisselspanning werken
  • gereedschappen die op een relatief veilige spanning van max. 50 volt wisselspanning of 120 volt gelijkspanning werken
  • gereedschappen die op een accu werken

In een vochtige omgeving kunnen ook warmte en sterke transpiratie voor geleiding van stroom door het lichaam zorgen. Voor gereedschappen die werken op 220 volt wisselspanning wordt daarom geëist dat ze dubbel geïsoleerd zijn, niet geaard zijn en jaarlijks getest worden op isolatie-weerstand. Je kunt ze herkennen aan het symbool dubbele isolatie; hiernaast zie je de afbeelding ervan. Let op: dubbele isolatie biedt geen bescherming tegen water en een vochtige omgeving.

Slijpschijven bestaan uit een slijpmiddel dat wordt samengehouden door een bindmiddel (lijm). De haakse slijptol wordt gebruikt om te slijpen of om af te bramen. Het risico van het uit elkaar springen van de schijf is groot bij doorslijpen. Voor afbramen of doorslijpen moet je het juiste type slijpschijf gebruiken. De slijpschijf moet de volgende informatie bevatten: naam van de fabrikant, maximaal toelaatbare toerental, afmeting van de schijf, toepassing en jaartal.

Bij het gebruik van de slijptol ben je verplicht om gehoorbescherming en een slijpbril te dragen; het gebruik van adembescherming wordt aanbevolen. Denk ook aan je collega’s die in de buurt werken; ook zij moeten beschermd worden! Op de slijpmachine zelf moet een beschermkap om de slijpschijf en een zijhandvat zijn gemonteerd. Een slijpmachine mag niet zijn uitgerust met een vastzetknop. Dit geldt voor machines met een schijfdiameter > 127 mm. Alle slijpschijven met een schijfdiameter > 125 mm hebben een dodemansknop. De aanzetknop moet, zodra je hem loslaat, teruggaan naar de uit-stand. Let tevens op het monteren van slijpschijven met de juiste diameter en het juiste toerental; deze informatie staat altijd op de machine vermeld. De nieuwste slijpmachines zijn uitgerust met een elektrische rem en hebben vanwege hun vermogen een aanloopmoment.

Bij het werken met handslijpmachines gelden een aantal veiligheidsmaatregelen waar je je aan moet houden:

  • het werkstuk moet worden vastgezet
  • het maximale toerental van de schijf mag nooit worden overschreden
  • een handslijpmachine mag pas worden neergelegd als de slijpschijf stilstaat
  • de zijkant van de schijf niet gebruiken (bijv. om af te bramen)
  • bij het afbramen moeten afbraamschijven gebruikt worden
  • doorslijpstenen mogen alleen gebruikt worden voor het doorslijpen en niet voor het afbramen

aantal uren werken

geluid

werken met een

4 uur

83 dB

Handzaag, verreiker

2 uur

86 dB

straatveegmachine

1 uur

89 dB

nietmachine

30 minuten

92 dB

lasapparaat, aggregaat

15 minuten

95 dB

slijpmachine, betonmolen

7,5 minuten

98 dB

heimachine

3,75 minuten

101 dB

spijkermachine

In bovenstaande tabel zie je hoe lang je zonder gehoorbescherming kunt werken in een omgeving met veel lawaai. Bij bovengenoemde tijds-eenheden per dag treedt geen gehoorschade op; het geluid wat de machines maken (in decibel) geeft je een idee van de verschillen in volume.

Bij het werken met gereedschap is het verstandig om gehoorbescherming te gebruiken.

4.2 Pneumatisch handgereedschap (= luchtdruk aangedreven)

Bij pneumatisch gereedschap wordt perslucht als aandrijving gebruikt; denk hierbij aan een niet- of spijkerpistool. Bij het werken met dit gereedschap ontstaan trillingen waaraan het hele lichaam blootstaat. Deze verminder je door gebruik te maken van zacht leren handschoenen en het regelmatig nemen van pauzes.

Pneumatisch handgereedschap wordt vooral gebruikt op locaties waar geen elektrisch gereedschap gebruikt mag worden, bijvoorbeeld in kruipruimten. Verder veroorzaken de aandrijving en de bewerking een bepaald geluidsniveau; gehoorbescherming is meestal noodzakelijk. Let op de luchtslang, deze kan losschieten waardoor er letsel kan ontstaan! Risicovol pneumatisch handgereedschap moet, net zoals bij een slijptol, voorzien zijn van bijvoorbeeld repeteerbeveiliging en mag niet functioneren als de machine niet vlak op het werkstuk geplaatst wordt. Sluit na gebruik de luchttoevoer af.

4.3 De motorkettingzaag

De motorkettingzaag kun je bij het slopen en rooien van bomen gebruiken. Voor het omzagen van bomen heb je meestal een kapvergunning nodig; dit wordt doorgaans geregeld door de opdrachtgever. Bij slopen wordt regelmatig gebruik gemaakt van een motorkettingzaag. Daarbij komen bijzondere gevaren kijken:

  • trillingen, waardoor je dode of ‘witte’ vingers kunt krijgen
  • lawaaidoofheid vanwege het hoge geluidsniveau
  • verwondingen van jezelf of anderen (zoals elektrocutie)
  • vergiftiging door uitlaatgassen (bij benzinemotor)
  • ‘kickback’ (terugslag)

Vanwege deze gevaren mogen jongeren onder de 18 jaar de motorkettingzaag niet bedienen. Het spreekt voor zich dat je zorgvuldig met de motorkettingzaag om moet gaan.

Je hebt de volgende PBM bij een motorkettingzaag nodig:

  • (trillingdempende) handschoenen
  • gehoorbescherming
  • veiligheidslaarzen met wreefbescherming
  • veiligheidsbroek of -overall met anti snij- en blokkeervezels die voorkomen dat de ketting door de stof heen gaat
  • veiligheidsbril of gelaatsscherm
  • veiligheidshelm

De kettingzaag moet aan de volgende eisen voldoen:

  • de handvatten moeten trillingvrij en antislip zijn
  • moet voorzien zijn van een inwendige trillingsdemping
  • het achterste handvat moet bescherming bieden tegen breuk
  • moet voorzien zijn van een beschermbeugel
  • moet voorzien zijn van een kettingrem
  • moet voorzien zijn van een ketting opvangmechanisme
  • moet voorzien zijn van een dubbele handbediening
  • er moet een beschermkap op zitten
  • de kettingzaag moet uitgebalanceerd zijn

De veiligheidsmaatregelen bij het werken met een kettingzaag zijn:

  • de bediener heeft een speciale opleiding met afsluitende toets gevolgd
  • de opstelling van de bediener is zodanig dat bij terugslag de ketting het lichaam niet raakt
  • een broek en handschoenen met antisnij- en blokkeervezels dragen
  • het juiste zaagblad / de juiste kettingcombinatie gebruiken

4.4 De handcirkelzaag

De handcirkelzaag moet aan de volgende eisen voldoen:

  • er is een beschermkap die het snijdend deel van de zaag volledig afschermt (die zit vast aan het frame en het scharnierend deel zit vast aan een geleider)
  • er is een automatisch terugschuivende beschermkap over het snijdende deel van de zaag
  • een spouwmes; deze is aangepast aan de diameter en dikte van de zaag

De veiligheidsmaatregelen bij het werken met een handcirkelzaag zijn:

  • stel het zaagblad en de geleider zo in dat het zaagblad zo weinig mogelijk uitsteekt
  • vraag assistentie van een tweede persoon indien dit nodig is
  • laat de zaag niet klemmen
  • houd de elektrische geleider steeds achter de zaag

4.5 Nagel-/nietmachine

Een nagel-/nietmachine heeft een maximale werkdruk. Het is belangrijk dat bij het werken met een nagel- of nietmachine deze maximale werkdruk gecontroleerd en niet overschreden wordt! De geleider moet bij het plaatsen van de lader leeg zijn. De nieten of nagels moeten aangepast zijn aan het apparaat, materiaal en de vorm van het werkstuk. De vrije hand moet ver van de machine blijven; de kop moet stevig op het werkstuk worden gedrukt. Let op het gevaar van het wegschieten van een nagel! Daarnaast kan een nagel terugslaan op harde materialen. Voorkom het doorboren van het werkstuk met een nagel, anders vliegt ‘ie er aan de andere kant weer uit!

4.6 Kolomboormachines

Een kolomboormachine wordt gebruikt om gaten in verschillende soorten materiaal te boren. Bij het werken met een kolomboormachine zijn er verschillende gevaren waardoor letsel en schade kunnen ontstaan. De bediener kan bijvoorbeeld gegrepen worden door de boor of boorkop; het is daarom verboden om handschoenen te dragen bij het werken met de kolomboormachine. Een ander groot gevaar is dat het werkstuk losslaat, waardoor iemand in de omgeving geraakt kan worden en letsel kan oplopen. Zet daarom het werkstuk goed vast! Letsel en schade kunnen ook ontstaan door:

  • het breken van de boor
  • snij- en schaafwonden als gevolg van wegvegen van boorsel
  • wegspringende spanen
  • het spatten van koel- of snijolie

5. Lassen

Bij elektrisch lassen horen de volgende gevaren:

  • elektrocutie
  • brand en explosie door hittevorming en wegspringende spetters
  • verbranding van de huid door vrijkomende uv-straling
  • verbranding van het hoornvlies door vrijkomende uv-straling
  • verblinding van de ogen door vrijkomende infraroodstraling
  • warmtestraling
  • vergiftiging door lasrook
  • longaandoeningen door inademen lasrook
  • verkeerde werkhouding (rugklachten)

De volgende veiligheidsmaatregelen moeten worden toegepast:

  • een werkvergunningensysteem (zie hoofdstuk 6)
  • afzuiging van de lasrook
  • ventilatie
  • PBM, laskap, lasschort, laskleding, veiligheidsschoenen, luchtgeventileerde laskap
  • lasgordijnen voor bescherming van personen in de omgeving tegen uv- en infraroodstraling
  • blusmiddelen moeten binnen handbereik zijn

Autogeen lassen is een lasmethode waarbij materiaal wordt gesmolten door er een zeer hete vlam op te richten. Het verbrand materiaal in een krachtige zuurstofstroom, waarna het gesmolten materiaal wordt weggeblazen. Meestal wordt hierbij een mengsel van acetyleen en zuivere zuurstof gebruikt.

Bij autogeen lassen, snijden en branden horen de volgende gevaren:

  • ongecontroleerd vrijkomen van acetyleen, waardoor er kans ontstaat op brand en explosie (acetyleen is lichter dan lucht en stijgt dus op; het kan zich ophopen en dan explosief worden)
  • ongecontroleerd vrijkomen van propaan, waardoor er kans ontstaat op brand en explosie (propaan is zwaarder dan lucht en blijft daardoor hangen in putten, uitgravingen en kelders)
  • ongecontroleerd vrijkomen van zuurstof, waardoor de kans op brand wordt bevorderd.

De volgende veiligheidsmaatregelen moeten hierbij worden toegepast:

  • een acetyleenfles moet rechtop of liggend onder een hoek van 30º opgeslagen worden
  • bij het gebruik van acetyleen moeten maatregelen getroffen worden met betrekking tot ventilatie en/of het meten van het gas
  • er moet een vlamdover zitten in de slang tussen de acetyleenfles en de brander
  • de flessen moeten een slangbreukbeveiliging hebben
  • op de gas- en zuurstofslang van de brander moeten terugstroombegrenzers zitten

6. Materieelkeuring

De wettelijke eisen waaraan materieel moet voldoen zijn gebaseerd op de Machinerichtlijn art.1; in Nederland zijn deze eisen ook verwerkt in het Arbobesluit. De Machinerichtlijn bijlage A is de wettelijke eis waaraan een machine binnen de EU minimaal(!) moet voldoen. Een machine heeft de volgende kenmerken:

  • minimaal één onderdeel aan de machine beweegt
  • de aanwezigheid van een aandrijfmechanisme
  • de aanwezigheid van een bedienings- of vermogensschakeling

Materieel moet periodiek worden gekeurd. Periodiek betekent: met regelmaat. Voor het machinegebruik in onze bedrijfstak moet als ondergrens voor keuring minimaal één keer per jaar aangehouden worden. Van elke keuring moet een keuringsrapport aanwezig zijn, en aan de machine moet ook te herkennen zijn dat deze gekeurd is, bijvoorbeeld door middel van een sticker; op die sticker moet zijn aangegeven wanneer de machine weer gekeurd moet worden. Een machine moet zowel elektrisch als mechanisch gekeurd worden. Bij de elektrische keuring volgens NEN 3140 is het meten van de isolatieweerstand verplicht (1000 x norm spanning). Ook moet het materieel visueel worden gekeurd; hiermee bedoelen we dat wordt gekeken of alles in orde is. Het machinehuis mag niet gescheurd zijn. Bij dubbel geïsoleerd handgereedschap moet een twee-aderig snoer met aangegoten stekker gemonteerd zijn; het snoer mag niet beschadigd zijn. Veel bouwbedrijven voeren deze keuringen zelf uit. Het is tevens een jaarlijkse verplichting binnen VCA en ISO.

Sinds 1995 moeten machines voorzien zijn van een CE markering.